
De kaders waarbinnen een ondernemingsraad zijn werk doet, worden aangegeven door twee belangrijke wetten:
(Tekst geldend op: 27-06-2006)
Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. Raad: De Sociaal-Economische Raad, bedoeld in de Wet op de
Bedrijfsorganisatie;
c. onderneming: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid
optredend organisatorisch verband waarin krachtens
arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling
arbeid wordt verricht;
d. ondernemer: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een
onderneming in stand houdt;
e. bestuurder: hij die alleen dan wel te zamen met anderen in een
onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de
leiding van de arbeid;
f. bedrijfscommissie: de bevoegde bedrijfscommissie, bedoeld in de
artikelen 37, 43 en 46.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder in de onderneming werkzame personen verstaan: degenen
die in de onderneming werkzaam zijn krachtens een publiekrechtelijke
aanstelling bij dan wel krachtens een arbeidsovereenkomst met de
ondernemer die de onderneming in stand houdt. Personen die in meer
dan één onderneming van dezelfde ondernemer werkzaam zijn, worden
geacht uitsluitend werkzaam te zijn in die onderneming van waaruit
hun werkzaamheden worden geleid.
3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt onder in de onderneming werkzame personen mede verstaan:
a. degenen die in het kader van werkzaamheden van de onderneming
daarin ten minste 24 maanden werkzaam zijn krachtens een
uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Titel 7.10 van
het Burgerlijk Wetboek, en
b. degenen die krachtens een publiekrechtelijke aanstelling bij dan
wel krachtens arbeidsovereenkomst met de ondernemer werkzaam zijn in
een door een andere ondernemer in stand gehouden onderneming.
4. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
worden de bestuurder of de bestuurders van een onderneming geacht
niet te behoren tot de in de onderneming werkzame personen.
Artikel 2
1. De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de
regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, is in het belang van het
goed functioneren van die onderneming in al haar doelstellingen
verplicht om ten behoeve van het overleg met en de
vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen een
ondernemingsraad in te stellen en jegens deze raad de voorschriften,
gesteld bij of krachtens deze wet, na te leven.
2. Indien in een onderneming na de instelling van een
ondernemingsraad niet langer in de regel ten minste 50 personen
werkzaam zijn, houdt de ondernemingsraad van rechtswege op te
bestaan bij het eindigen van de lopende zittingsperiode van die
raad, tenzij de ondernemer toepassing geeft aan artikel 5a, tweede
lid.
Artikel 3
1. De ondernemer die twee of meer ondernemingen in stand houdt
waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn
stelt voor alle of voor een aantal van die ondernemingen tezamen een
gemeenschappelijke ondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is
voor een goede toepassing van deze wet in de betrokken
ondernemingen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
in een groep verbonden ondernemers, die twee of meer ondernemingen
in stand houden, waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen
werkzaam zijn. De betrokken ondernemers wijzen een tot hun groep
behorende ondernemer aan, die voor de toepassing van deze wet namens
hen als ondernemer optreedt ten opzichte van de gemeenschappelijke
ondernemingsraad.
3. De ondernemingen waarvoor een gemeenschappelijke ondernemingsraad
is ingesteld, worden beschouwd als één onderneming in de zin van
deze wet.
Artikel 4
1. De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de
regel ten minste 50 personen werkzaam zijn stelt voor een onderdeel
van die onderneming een afzonderlijke ondernemingsraad in indien dit
bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de
onderneming.
2. Het onderdeel waarvoor een afzonderlijke ondernemingsraad is
ingesteld, wordt beschouwd als een onderneming in de zin van deze
wet.
Artikel 5
1. De Raad kan, indien bijzondere omstandigheden een goede
toepassing van deze wet in de betrokken onderneming in de weg staan,
aan een ondernemer op diens verzoek ten aanzien van een door hem in
stand gehouden onderneming schriftelijk voor ten hoogste vijf jaren
ontheffing verlenen van de verplichting tot het instellen van een
ondernemingsraad. De Raad kan een dergelijke ontheffing uitsluitend
verlenen indien voor wat betreft de informatie aan en de raadpleging
van werknemers over de in het zesde lid genoemde onderwerpen door de
ondernemer voorzieningen zijn getroffen om te waarborgen dat wordt
voldaan aan het zevende en achtste lid.
2. De Raad stelt de verenigingen van werknemers, bedoeld in artikel
9, tweede lid, onder a , in de gelegenheid over het verzoek om
ontheffing te worden gehoord.
3. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. De Raad
doet van zijn besluit mededeling aan de bedrijfscommissie.
4. Zolang op een verzoek om ontheffing niet onherroepelijk is
beslist, geldt de in artikel 2, eerste lid, bedoelde verplichting
niet.
5. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. informatie: het verstrekken van gegevens door de ondernemer aan
de werknemers opdat zij kennis kunnen nemen van het onderwerp en het
kunnen bestuderen;
b. raadpleging: de gedachtewisseling en de totstandbrenging van een
dialoog tussen de werknemers en de ondernemer.
6. Informatie en raadpleging behelzen:
a. informatie over de recente en de waarschijnlijke ontwikkeling van
de activiteiten en de economische situatie van de onderneming;
b. informatie en raadpleging over de situatie, de structuur en de
waarschijnlijke ontwikkeling van de werkgelegenheid binnen de
onderneming, alsmede over eventuele geplande anticiperende
maatregelen met name in geval van bedreiging van de werkgelegenheid;
c. informatie en raadpleging over beslissingen die ingrijpende
veranderingen voor de arbeidsorganisatie of de arbeidsovereenkomsten
kunnen meebrengen.
7. Het tijdstip en de wijze van informatieverstrekking alsmede de
inhoud van de informatie moeten zodanig zijn dat de werknemers de
informatie adequaat kunnen bestuderen en zo nodig de raadpleging
kunnen voorbereiden.
8. Raadpleging geschiedt:
a. op een tijdstip, met middelen en met een inhoud die passend zijn;
b. op het relevante niveau van directie en vertegenwoordiging,
afhankelijk van het te bespreken onderwerp;
c. op basis van de door de ondernemer te verstrekken informatie en
van het advies dat de werknemers kunnen uitbrengen;
d. op zodanige wijze dat de werknemers met de ondernemer kunnen
samenkomen en een met redenen omkleed antwoord op hun advies kunnen
krijgen;
e. met het doel een akkoord te bereiken over de in het zesde lid,
onder c, bedoelde beslissingen, die onder de bevoegdheden van de
ondernemer vallen.
Artikel 5a
1. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing
wanneer een ondernemer op grond van een collectieve
arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden
vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan verplicht is voor een
door hem in stand gehouden onderneming een ondernemingsraad in te
stellen. Wanneer de collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling
van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan
de ondernemer niet langer verplicht tot het instellen van de
ondernemingsraad, houdt deze van rechtswege op te bestaan bij het
eindigen van de lopende zittingsperiode van die raad, tenzij de
ondernemer toepassing geeft aan het tweede lid.
2. De ondernemer kan voor een door hem in stand gehouden
onderneming, ten aanzien waarvan niet of niet langer een
verplichting bestaat tot het instellen van een ondernemingsraad,
besluiten vrijwillig een ondernemingsraad in te stellen of in stand
te houden. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is van toepassing,
zodra de ondernemer dat besluit schriftelijk heeft meegedeeld aan de
bedrijfscommissie. De ondernemer kan deze ondernemingsraad op grond
van een belangrijke wijziging van de omstandigheden opheffen bij het
eindigen van de lopende zittingsperiode van die raad. De ondernemer
deelt zijn besluit tot opheffing van de ondernemingsraad
schriftelijk mee aan de bedrijfscommissie.
Artikel 6
1. Een ondernemingsraad bestaat uit leden die door de in de
onderneming werkzame personen rechtstreeks uit hun midden worden
gekozen. Hun aantal bedraagt in een onderneming
met minder dan 50 personen 3 leden;
met 50 tot 100 personen 5 leden;
met 100 tot 200 personen 7 leden;
met 200 tot 400 personen 9 leden;
met 400 tot 600 personen 11 leden;
met 600 tot 1000 personen 13 leden;
met 1000 tot 2000 personen 15 leden;
en zo vervolgens bij elk volgend duizendtal personen 2 leden meer,
tot ten hoogste 25 leden.
De ondernemingsraad kan met toestemming van de ondernemer in zijn
reglement zowel een afwijkend aantal leden vaststellen, als bepalen
dat voor een of meer leden van de ondernemingsraad een
plaatsvervanger wordt gekozen. Een plaatsvervangend
ondernemingsraadslid heeft dezelfde rechten en verplichtingen als
het lid dat hij vervangt.
2. Kiesgerechtigd zijn de personen die gedurende ten minste 6
maanden in de onderneming werkzaam zijn geweest.
3. Verkiesbaar tot lid van de ondernemingsraad zijn de personen die
gedurende ten minste een jaar in de onderneming werkzaam zijn
geweest.
4. De ondernemer en de ondernemingsraad kunnen, indien dit
bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de
onderneming, gezamenlijk een of meer groepen van personen die anders
dan op grond van een arbeidsovereenkomst met de ondernemer, dan wel
krachtens publiekrechtelijke aanstelling regelmatig in de
onderneming arbeid verrichten, aanmerken als in de onderneming
werkzame personen, dan wel een of meer groepen van die personen niet
langer aanmerken als in de onderneming werkzame personen. Komen de
ondernemer en de ondernemingsraad niet tot overeenstemming, dan kan
ieder van hen een beslissing van de kantonrechter vragen.
5. De ondernemingsraad kan in zijn reglement afwijken van hetgeen in
het tweede en derde lid van dit artikel ten aanzien van de
diensttijd is bepaald indien dit bevorderlijk is voor een goede
toepassing van deze wet in de onderneming.
6. Tijdens een zittingsperiode van de ondernemingsraad kan geen
wijziging worden gebracht in het aantal leden van de raad op grond
van vermeerdering of vermindering van het aantal in de onderneming
werkzame personen.
Artikel 7
De ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of
meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens
verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de
ondernemingsraad in rechte.
Artikel 8
1. De ondernemingsraad maakt een reglement waarin de onderwerpen
worden geregeld die bij of krachtens deze wet ter regeling aan de
ondernemingsraad zijn opgedragen of overgelaten. Het reglement bevat
geen bepalingen die in strijd zijn met de wet of die een goede
toepassing van deze wet in de weg staan. Alvorens het reglement vast
te stellen, stelt de ondernemingsraad de ondernemer in de
gelegenheid zijn standpunt kenbaar te maken. De ondernemingsraad
verstrekt onverwijld een exemplaar van het vastgestelde reglement
aan de ondernemer en aan de bedrijfscommissie.
2. De Raad kan ten aanzien van de inhoud van het reglement bij
verordening nadere regelen stellen voor alle of een groep van
ondernemingen. In het laatste geval wordt de betrokken
bedrijfscommissie gehoord. Een verordening van de Raad behoeft de
goedkeuring van Onze Minister. Een goedgekeurde verordening wordt in
de Staatscourant bekend gemaakt.
3. Indien de Raad een verordening als bedoeld in het tweede lid
vaststelt, brengen de betrokken ondernemingsraden binnen een jaar na
de bekendmaking van de goedgekeurde verordening in de Staatscourant,
de bepalingen in hun reglement die in strijd zijn met deze
verordening daarmee in overeenstemming.
Artikel 9
1. De verkiezing van leden van de ondernemingsraad geschiedt bij
geheime schriftelijke stemming en aan de hand van een of meer
kandidatenlijsten.
2. Een kandidatenlijst kan worden ingediend door:
a. een vereniging van werknemers, die in de onderneming werkzame
kiesgerechtigde personen onder haar leden telt, krachtens haar
statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te
behartigen en als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak
werkzaam is en voorts ten minste twee jaar in het bezit is van
volledige rechtsbevoegdheid, mits zij met haar leden in de
onderneming over de samenstelling van de kandidatenlijst overleg
heeft gepleegd. Ten aanzien van een vereniging die krachtens haar
statuten geacht kan worden een voortzetting te zijn van een of meer
andere verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers,
wordt de duur van de volledige rechtsbevoegdheid van die vereniging
of verenigingen voor de vaststelling van de tijdsduur van twee jaar
mede in aanmerking genomen;
b. een derde gedeelte of méér van diegenen van de in de onderneming
werkzame kiesgerechtigde personen die geen lid zijn van een
vereniging als bedoeld onder a welke een kandidatenlijst heeft
ingediend, echter met dien verstande dat voor het indienen van een
kandidatenlijst met 30 handtekeningen kan worden volstaan.
3. De ondernemingsraad kan in zijn reglement bepalen, dat voor
bepaalde groepen van in de onderneming werkzame personen, dan wel
voor bepaalde onderdelen van de onderneming afzonderlijke
kandidatenlijsten worden ingediend, ten einde als grondslag te
dienen voor de verkiezing door de betrokken personen of onderdelen
van een tevens in het reglement te bepalen aantal leden van de
ondernemingsraad. Indien de ondernemingsraad van deze bevoegdheid
gebruik heeft gemaakt, gelden de in het tweede lid ten aanzien van
het indienen van kandidatenlijsten gestelde eisen voor iedere
aangewezen groep of ieder aangewezen onderdeel afzonderlijk.
4. De ondernemingsraad treft, indien dit bevorderlijk is voor een
goede toepassing van deze wet in de onderneming, voorzieningen in
zijn reglement opdat de verschillende groepen van de in de
onderneming werkzame personen zoveel mogelijk in de ondernemingsraad
vertegenwoordigd kunnen zijn.
Artikel 10
De ondernemingsraad stelt in zijn reglement nadere regelen
betreffende de kandidaatstelling, de inrichting van de verkiezingen
en de vaststelling van de uitslag daarvan, alsmede betreffende de
vervulling van tussentijdse vacatures in de ondernemingsraad.
Artikel 11
1. De ondernemingsraad draagt er zorg voor, dat de uitslag van de
verkiezingen bekend wordt gemaakt aan de ondernemer, aan de in de
onderneming werkzame personen, alsmede aan degenen die
kandidatenlijsten hebben ingediend.
2. Hij draagt er zorg voor, dat de namen en de functies in de
onderneming van de leden van de ondernemingsraad blijvend worden
vermeld op een plaats die vrij toegankelijk is voor alle in de
onderneming werkzame personen, op zodanige wijze dat daarvan
gemakkelijk kennis kan worden genomen.
Artikel 12
1. De leden van de ondernemingsraad treden om de drie jaren tegelijk
af. Zij zijn terstond herkiesbaar.
2. De ondernemingsraad kan, in afwijking van het eerste lid, in zijn
reglement bepalen, dat de leden om de twee jaren of om de vier jaren
tegelijk aftreden, dan wel om de twee jaren voor de helft aftreden.
De ondernemingsraad kan voorts beperkingen vaststellen ten aanzien
van de herkiesbaarheid.
3. Wanneer een lid van de ondernemingsraad ophoudt in de onderneming
werkzaam te zijn, eindigt van rechtswege zijn lidmaatschap van de
ondernemingsraad.
4. De leden van de ondernemingsraad kunnen te allen tijde als
zodanig ontslag nemen. Zij geven daarvan schriftelijk kennis aan de
voorzitter en aan de ondernemer.
5. Hij die optreedt ter vervulling van een tussentijds opengevallen
plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij
komt had moeten aftreden.
Artikel 13
1. Op verzoek van de ondernemer of van de ondernemingsraad kan de
kantonrechter voor een door hem te bepalen termijn een lid van de
ondernemingsraad uitsluiten van alle of bepaalde werkzaamheden van
de ondernemingsraad. Het verzoek kan uitsluitend worden gedaan, door
de ondernemer op grond van het feit dat het betrokken
ondernemingsraadlid het overleg van de ondernemingsraad met de
ondernemer ernstig belemmert, en door de ondernemingsraad op grond
van het feit dat de betrokkene de werkzaamheden van de
ondernemingsraad ernstig belemmert.
2. Alvorens een verzoek in te dienen stelt de verzoeker de
betrokkene in de gelegenheid over het verzoek te worden gehoord. De
ondernemer en de ondernemingsraad stellen elkaar in kennis van een
overeenkomstig het eerste lid ingediend verzoek.
Artikel 14
1. De ondernemingsraad regelt in zijn reglement zijn werkwijze.
2. Het reglement bevat in ieder geval voorschriften omtrent:
a. de gevallen waarin de ondernemingsraad ten behoeve van de
uitoefening van zijn taak bijeenkomt;
b. de wijze van bijeenroeping van de ondernemingsraad;
c. het aantal leden dat aanwezig moet zijn om een vergadering te
kunnen houden;
d. de uitoefening van het stemrecht in de vergaderingen;
e. de voorziening in het secretariaat;
f. het opmaken en het bekendmaken aan de ondernemer, de leden van de
ondernemingsraad en aan de andere in de onderneming werkzame
personen van de agenda van de vergaderingen van de ondernemingsraad;
g. het tijdstip waarop de ondernemer, de leden van de
ondernemingsraad en de andere in de onderneming werkzame personen
uiterlijk in kennis dienen te worden gesteld van de agenda, welk
tijdstip niet later kan worden gesteld dan 7 dagen vóór de
vergadering, behoudens in spoedeisende gevallen;
h. het opmaken en het bekendmaken aan de ondernemer, de leden van de
ondernemingsraad en aan de andere in de onderneming werkzame
personen van de verslagen van de vergaderingen van de
ondernemingsraad en van het jaarverslag van de ondernemingsraad.
Artikel 15
1. De ondernemingsraad kan de commissies instellen die hij voor de
vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft. De
ondernemingsraad legt zijn voornemen om een commissie in te stellen
schriftelijk voor aan de ondernemer, met vermelding van de taak,
samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de door hem in te
stellen commissie. Bij bezwaar van de ondernemer kan de
ondernemingsraad een beslissing van de kantonrechter vragen.
2. De ondernemingsraad kan met inachtneming van het eerste lid vaste
commissies instellen voor de behandeling van door hem aangewezen
onderwerpen. De ondernemingsraad kan in het instellingsbesluit van
een vaste commissie zijn rechten en bevoegdheden ten aanzien van
deze onderwerpen, met uitzondering van de bevoegdheid tot het voeren
van rechtsgedingen, geheel of gedeeltelijk aan de betrokken
commissie overdragen. In een vaste commissie kunnen naast een
meerderheid van leden van de ondernemingsraad ook andere in de
onderneming werkzame personen zitting hebben.
3. De ondernemingsraad kan met inachtneming van het eerste lid voor
onderdelen van de onderneming onderdeelcommissies instellen voor de
behandeling van de aangelegenheden van die onderdelen. De
ondernemingsraad kan in het instellingsbesluit van een
onderdeelcommissie aan deze commissie de bevoegdheid toekennen tot
het plegen van overleg met degene die de leiding heeft van het
betrokken onderdeel. In dat geval gaan de rechten en bevoegdheden
van de ondernemingsraad ten aanzien van de aangelegenheden van het
onderdeel, met uitzondering van de bevoegdheid tot het voeren van
rechtsgedingen, over naar de onderdeelcommissie, tenzij de
ondernemingsraad besluit een bepaalde aangelegenheid zelf te
behandelen. In een onderdeelcommissie kunnen naast een of meer leden
van de ondernemingsraad uitsluitend in het betrokken onderdeel
werkzame personen zitting hebben.
4. De ondernemingsraad kan met inachtneming van het eerste lid
voorbereidingscommissies instellen ter voorbereiding van door de
ondernemingsraad te behandelen onderwerpen. Een
voorbereidingscommissie kan geen rechten of bevoegdheden van de
ondernemingsraad uitoefenen. Een voorbereidingscommissie kan slechts
voor een bepaalde, door de ondernemingsraad in het
instellingsbesluit te vermelden, tijd worden ingesteld. In een
voorbereidingscommissie kunnen naast een of meer leden van de
ondernemingsraad ook andere in de onderneming werkzame personen
zitting hebben.
5. Ten aanzien van de leden van door de ondernemingsraad ingestelde
commissies, die geen lid zijn van de ondernemingsraad, is artikel 13
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1. De ondernemingsraad kan een of meer deskundigen uitnodigen tot
het bijwonen van een vergadering van die raad, met het oog op de
behandeling van een bepaald onderwerp. Hij kan een zodanige
uitnodiging ook doen aan een of meer bestuurders van de onderneming,
dan wel aan een of meer personen als bedoeld in artikel 24, tweede
lid.
2. De leden van de ondernemingsraad kunnen in de vergadering aan de
in het eerste lid bedoelde personen inlichtingen en adviezen vragen.
3. Een deskundige kan eveneens worden uitgenodigd een schriftelijk
advies uit te brengen.
4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de commissies van de ondernemingsraad.
Artikel 17
1. De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad, de commissies van
die raad, en, indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een
secretaris heeft toegevoegd, de secretaris van die raad het gebruik
toe te staan van de voorzieningen waarover hij als zodanig kan
beschikken en die de ondernemingsraad, de commissies en de
secretaris van die raad voor de vervulling van hun taak
redelijkerwijze nodig hebben. De ondernemer stelt de
ondernemingsraad en de commissies van die raad in staat de in de
onderneming werkzame personen te raadplegen en stelt deze personen
in de gelegenheid hieraan hun medewerking te verlenen, een en ander
voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van
de taak van de raad en de commissies.
2. De ondernemingsraad en de commissies van die raad vergaderen
zoveel mogelijk tijdens de normale arbeidstijd.
3. De leden van de ondernemingsraad en de leden van de commissies
van die raad behouden voor de tijd gedurende welke zij ten gevolge
van het bijwonen van een vergadering van de ondernemingsraad of van
een commissie van die raad niet de bedongen arbeid hebben verricht,
hun aanspraak op loon dan wel bezoldiging.
Artikel 18
1. De ondernemer is verplicht de leden van de ondernemingsraad en de
leden van de commissies van die raad, gedurende een door de
ondernemer en de ondernemingsraad gezamenlijk vast te stellen aantal
uren per jaar, in werktijd en met behoud van loon dan wel
bezoldiging de gelegenheid te bieden voor onderling beraad en
overleg met andere personen over aangelegenheden waarbij zij in de
uitoefening van hun taak zijn betrokken, alsmede voor kennisneming
van de arbeidsomstandigheden in de onderneming.
2. De ondernemer is verplicht de leden van de ondernemingsraad en de
leden van een vaste commissie of onderdeelcommissie, bedoeld in
artikel 15, tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, gedurende een
door de ondernemer en de ondernemingsraad gezamenlijk vast te
stellen aantal dagen per jaar, in werktijd en met behoud van loon
dan wel bezoldiging de gelegenheid te bieden de scholing en vorming
te ontvangen welke zij in verband met de vervulling van hun taak
nodig oordelen.
3. De ondernemer en de ondernemingsraad stellen het aantal uren,
bedoeld in het eerste lid, en het aantal dagen, bedoeld in het
tweede lid, vast op een zodanig aantal als de betrokken leden van de
ondernemingsraad en van de commissies van die raad voor de
vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig hebben. Daarbij wordt
in acht genomen dat het aantal uren niet lager vastgesteld kan
worden dan zestig per jaar en het aantal dagen:
a. voor leden van een in het tweede lid bedoelde commissie die niet
tevens lid zijn van de ondernemingsraad, niet lager vastgesteld kan
worden dan drie per jaar;
b. voor leden van de ondernemingsraad die niet tevens lid zijn van
een in het tweede lid bedoelde commissie, niet lager vastgesteld kan
worden dan vijf per jaar; en
c. voor leden van de ondernemingsraad die tevens lid zijn van een
commissie, niet lager vastgesteld kan worden dan acht per jaar.
4. De ondernemingsraad, alsmede ieder lid van de ondernemingsraad of
van een commissie van die raad kan de kantonrechter verzoeken te
bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan hetgeen is
bepaald in het eerste, het tweede en het derde lid.
Artikel 19 [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 20
1. De leden van de ondernemingsraad en de leden van de commissies
van die raad, alsmede de overeenkomstig artikel 16 geraadpleegde
deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken- en
bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede van
alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de ondernemer, dan wel de
ondernemingsraad of de betrokken commissie hun geheimhouding heeft
opgelegd of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het
vertrouwelijk karakter moeten begrijpen. Het voornemen om
geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk vóór de behandeling
van de betrokken aangelegenheid meegedeeld. Degene die de
geheimhouding oplegt, deelt daarbij tevens mee, welke schriftelijk
of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding vallen en
hoelang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien
van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
degenen die met het secretariaat van de ondernemingsraad of van een
commissie van die raad zijn belast.
3. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet tegenover
hen die ingevolge een rechterlijke opdracht zijn belast met een
onderzoek naar de gang van zaken in de onderneming.
4. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt voorts niet
tegenover hem die door een lid van de ondernemingsraad of door een
lid van een commissie van die raad wordt benaderd voor overleg, mits
de ondernemer, onderscheidenlijk degene die geheimhouding heeft
opgelegd, vooraf toestemming heeft gegeven voor het overleg met de
betrokken persoon en deze laatste schriftelijk heeft verklaard, dat
hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot
geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien van de bedoelde
persoon het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
5. Een weigering de in het vorige lid bedoelde toestemming te
verlenen, wordt door de ondernemer, onderscheidenlijk door degene
die geheimhouding heeft opgelegd, met redenen omkleed.
6. De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van het
lidmaatschap van de ondernemingsraad of van de betrokken commissie,
noch door beëindiging van de werkzaamheden van de betrokkene in de
onderneming.
7. De ondernemingsraad, alsmede ieder lid van de ondernemingsraad of
van een commissie van die raad, alsmede een overeenkomstig artikel
16 geraadpleegde deskundige en ieder die met het secretariaat van de
ondernemingsraad of van een commissie van die raad is belast kan de
kantonrechter verzoeken de opgelegde geheimhouding op te heffen op
de grond dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen
niet in redelijkheid tot het opleggen van geheimhouding had kunnen
besluiten.
Artikel 21
De ondernemer draagt er zorg voor, dat de in de onderneming werkzame
personen die staan of gestaan hebben op een kandidatenlijst als
bedoeld in artikel 9, alsmede de leden en de gewezen leden van de
ondernemingsraad en van de commissies van die raad niet uit hoofde
van hun kandidaatstelling of van hun lidmaatschap van de
ondernemingsraad of van een commissie van die raad worden benadeeld
in hun positie in de onderneming. Indien de ondernemer aan de
ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd is de eerste volzin
op die secretaris van overeenkomstige toepassing. Op degene die het
initiatief neemt of heeft genomen tot het instellen van een
ondernemingsraad is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.
De ondernemingsraad, alsmede iedere in de onderneming werkzame
persoon als in de eerste tot en met derde volzin bedoeld, kan de
kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te
geven aan hetgeen in de eerste tot en met derde volzin is bepaald.
Ten aanzien van personen die krachtens publiekrechtelijke
aanstelling in de onderneming werkzaam zijn, treedt een andere kamer
van de rechtbank in de plaats van de kantonrechter.
Artikel 22
1. De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de
vervulling van de taak van de ondernemingsraad en de commissies van
die raad komen ten laste van de ondernemer.
2. Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid komen de
kosten van het overeenkomstig artikel 16 en artikel 23a, zesde lid,
raadplegen van een deskundige door de ondernemingsraad of een
commissie van die raad, alsmede de kosten van het voeren van
rechtsgedingen door de ondernemingsraad slechts ten laste van de
ondernemer, indien hij van de te maken kosten vooraf in kennis is
gesteld. De eerste volzin is niet van toepassing wanneer uitvoering
is gegeven aan het derde lid.
3. De ondernemer kan in overeenstemming met de ondernemingsraad de
kosten die de ondernemingsraad en de commissies van die raad in enig
jaar zullen maken, voor zover deze geen verband houden met het
bepaalde in de artikelen 17 en 18, vaststellen op een bepaald bedrag,
dat de ondernemingsraad naar eigen inzicht kan besteden. Kosten
waardoor het hier bedoelde bedrag zou worden overschreden, komen
slechts ten laste van de ondernemer voor zover hij in het dragen
daarvan toestemt.
Artikel 22a
In rechtsgedingen tussen de ondernemer en de ondernemingsraad kan de
ondernemingsraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
Artikel 23
1. De ondernemer en de ondernemingsraad komen met elkaar bijeen
binnen twee weken nadat hetzij de ondernemingsraad hetzij de
ondernemer daarom onder opgave van redenen heeft verzocht.
2. In de in het eerste lid bedoelde overlegvergaderingen worden de
aangelegenheden, de onderneming betreffende, aan de orde gesteld,
ten aanzien waarvan hetzij de ondernemer, hetzij de ondernemingsraad
overleg wenselijk acht of waarover ingevolge het bij of krachtens
deze wet bepaalde overleg tussen de ondernemer en de
ondernemingsraad moet plaatsvinden. De ondernemingsraad is bevoegd
omtrent de bedoelde aangelegenheden voorstellen te doen en
standpunten kenbaar te maken. Onder de aangelegenheden, de
onderneming betreffende, is niet begrepen het beleid ten aanzien
van, alsmede de uitvoering van een bij of krachtens een wettelijk
voorschrift aan de ondernemer opgedragen publiekrechtelijke taak,
behoudens voor zover deze uitvoering de werkzaamheden van de in de
onderneming werkzame personen betreft.
3. De ondernemingsraad is ook buiten de overlegvergadering bevoegd
aan de ondernemer voorstellen te doen omtrent de in het tweede lid
bedoelde aangelegenheden. Een dergelijk voorstel wordt schriftelijk
en voorzien van een toelichting aan de ondernemer voorgelegd. De
ondernemer beslist over het voorstel niet dan nadat daarover ten
minste éénmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Na het
overleg deelt de ondernemer zo spoedig mogelijk schriftelijk en met
redenen omkleed aan de ondernemingsraad mee, of en in hoeverre hij
overeenkomstig het voorstel zal besluiten.
4. Het overleg wordt voor de ondernemer gevoerd door de bestuurder
van de onderneming. Wanneer een onderneming meer dan één bestuurder
heeft, bepalen dezen te zamen wie van hen overleg pleegt met de
ondernemingsraad.
5. De in het vorige lid bedoelde bestuurder kan zich in geval van
verhindering of ten aanzien van een bepaald onderwerp laten
vervangen door een medebestuurder. Heeft de onderneming geen
meerhoofdig bestuur, dan kan de bestuurder zich bij verhindering
doen vervangen door een persoon als bedoeld in artikel 24, tweede
lid, of door een in de onderneming werkzame persoon die beschikt
over bevoegdheden om namens de ondernemer overleg te voeren met de
ondernemingsraad.
6. De bestuurder of degene die hem vervangt kan zich bij het overleg
laten bijstaan door een of meer medebestuurders, personen als
bedoeld in artikel 24, tweede lid, of in de onderneming werkzame
personen.
Artikel 23a
1. Een overlegvergadering kan slechts worden gehouden, indien ten
aanzien van de ondernemingsraad wordt voldaan aan de bepalingen die
ingevolge het reglement van de ondernemingsraad gelden voor het
houden van een vergadering van die raad. Alle leden van de
ondernemingsraad kunnen in de vergadering het woord voeren.
2. De overlegvergadering wordt, tenzij de ondernemer en de
ondernemingsraad te zamen een andere regeling treffen, beurtelings
geleid door de bestuurder of degene die hem ingevolge artikel 23,
vijfde lid, vervangt en de voorzitter of de plaatsvervangende
voorzitter van de ondernemingsraad.
3. De secretaris van de ondernemingsraad treedt op als secretaris
van de overlegvergadering, tenzij de ondernemer en de
ondernemingsraad te zamen een andere persoon als secretaris
aanwijzen.
4. De agenda van de overlegvergadering bevat de onderwerpen die door
de ondernemer of door de ondernemingsraad bij de secretaris voor het
overleg zijn aangemeld. Het verslag van de overlegvergadering
behoeft de goedkeuring van de ondernemer en de ondernemingsraad.
5. De ondernemer en de ondernemingsraad maken gezamenlijk afspraken
over de gang van zaken bij de overlegvergadering en over de wijze en
het tijdstip waarop de agenda en het verslag van de
overlegvergadering aan de in de onderneming werkzame personen bekend
worden gemaakt.
6. Ten aanzien van de overlegvergadering zijn de artikelen 17 en 22
van overeenkomstige toepassing. Zowel de ondernemingsraad als de
ondernemer kan een of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen
van een overlegvergadering, indien dit voor de behandeling van een
bepaald onderwerp redelijkerwijze nodig is. Zij stellen elkaar
hiervan tijdig vooraf in kennis.
Artikel 23b
1. Tijdens een overlegvergadering kunnen zowel door de ondernemer
als door de ondernemingsraad besluiten worden genomen.
2. Een overlegvergadering wordt door de voorzitter geschorst,
wanneer de ondernemer of de ondernemingsraad ten aanzien van een
bepaald onderwerp afzonderlijk beraad wenselijk acht.
Artikel 23c
Indien de ondernemingsraad aan een onderdeelcommissie de bevoegdheid
heeft toegekend tot het plegen van overleg met degene die de leiding
heeft van het betrokken onderdeel, zijn ten aanzien van dat overleg
de artikelen 17, 22, 23, 23a, tweede, vierde en zesde lid, 23b , 24,
eerste lid, 25, 27, 28, 31a, eerste, zesde en zevende lid, 31b en
31c van overeenkomstige toepassing. In dit overleg kunnen geen
aangelegenheden worden behandeld die in het overleg met de
ondernemingsraad worden behandeld.
Artikel 24
1. In de overlegvergadering wordt ten minste tweemaal per jaar de
algemene gang van zaken van de onderneming besproken. De ondernemer
doet in dit kader mededeling over besluiten die hij in voorbereiding
heeft met betrekking tot de aangelegenheden als bedoeld in de
artikelen 25 en 27. Daarbij worden afspraken gemaakt wanneer en op
welke wijze de ondernemingsraad in de besluitvorming wordt betrokken.
2. Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een naamloze
vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid, een coöperatie of een onderlinge
waarborgmaatschappij, zijn bij de in het eerste lid bedoelde
besprekingen de commissarissen van de vennootschap, de coöperatie of
de onderlinge waarborgmaatschappij, als die er zijn, dan wel een of
meer vertegenwoordigers uit hun midden aanwezig. Wordt ten minste de
helft van de aandelen van de vennootschap middellijk of onmiddellijk
voor eigen rekening gehouden door een andere vennootschap, dan rust
de hiervoor bedoelde verplichting op de bestuurders van de
laatstbedoelde vennootschap, dan wel op een of meer door hen
aangewezen vertegenwoordigers. Wordt de onderneming in stand
gehouden door een vereniging of een stichting, dan zijn de
bestuursleden van die vereniging of die stichting, dan wel een of
meer vertegenwoordigers uit hun midden aanwezig. De ondernemingsraad
kan in een bepaald geval besluiten, dat aan dit lid geen toepassing
behoeft te worden gegeven.
3. Het in het vorige lid bepaalde geldt niet ten aanzien van een
onderneming die in stand wordt gehouden door een ondernemer die ten
minste vijf ondernemingen in stand houdt waarvoor een
ondernemingsraad is ingesteld waarop de bepalingen van deze wet van
toepassing zijn, dan wel door een ondernemer die deel uitmaakt van
in een groep verbonden ondernemers die te zamen ten minste vijf
ondernemingsraden hebben ingesteld waarop de bepalingen van deze wet
van toepassing zijn.
Artikel 25
1. De ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid
gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit
tot:
a. overdracht van de zeggenschap over de onderneming of een
onderdeel daarvan;
b. het vestigen van, dan wel het overnemen of afstoten van de
zeggenschap over, een andere onderneming, alsmede het aangaan van,
het aanbrengen van een belangrijke wijziging in of het verbreken van
duurzame samenwerking met een andere onderneming, waaronder begrepen
het aangaan, in belangrijke mate wijzigen of verbreken van een
belangrijke financiële deelneming vanwege of ten behoeve van een
dergelijke onderneming;
c. beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van een
belangrijk onderdeel daarvan;
d. belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de
werkzaamheden van de onderneming;
e. belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming, dan
wel in de verdeling van bevoegdheden binnen de onderneming;
f. wijziging van de plaats waar de onderneming haar werkzaamheden
uitoefent;
g. het groepsgewijze werven of inlenen van arbeidskrachten;
h. het doen van een belangrijke investering ten behoeve van de
onderneming;
i. het aantrekken van een belangrijk krediet ten behoeve van de
onderneming;
j. het verstrekken van een belangrijk krediet en het stellen van
zekerheid voor belangrijke schulden van een andere ondernemer,
tenzij dit geschiedt in de normale uitoefening van werkzaamheden in
de onderneming;
k. invoering of wijziging van een belangrijke technologische
voorziening;
l. het treffen van een belangrijke maatregel in verband met de zorg
van de onderneming voor het milieu, waaronder begrepen het treffen
of wijzigen van een beleidsmatige, organisatorische en
administratieve voorziening in verband met het milieu;
m. vaststelling van een regeling met betrekking tot het zelf dragen
van het risico, bedoeld in artikel 40, aanhef en eerste lid,
onderdeel a, artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel b, of
artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel c, van de Wet
financiering sociale verzekeringen;
n. het verstrekken en het formuleren van een adviesopdracht aan een
deskundige buiten de onderneming betreffende een der hiervoor
bedoelde aangelegenheden.
Het onder b bepaalde, alsmede het onder n bepaalde, voor zover dit
betrekking heeft op een aangelegenheid als bedoeld onder b, is niet
van toepassing wanneer de andere onderneming in het buitenland
gevestigd is of wordt en redelijkerwijs niet te verwachten is dat
het voorgenomen besluit zal leiden tot een besluit als bedoeld onder
c-f ten aanzien van een onderneming die door de ondernemer in
Nederland in stand wordt gehouden.
2. De ondernemer legt het te nemen besluit schriftelijk aan de
ondernemingsraad voor. Het advies moet op een zodanig tijdstip
worden gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te
nemen besluit.
3. Bij het vragen van advies wordt aan de ondernemingsraad een
overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede
van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in
de onderneming werkzame personen zal hebben en van de naar
aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen.
4. De ondernemingsraad brengt met betrekking tot een voorgenomen
besluit als bedoeld in het eerste lid geen advies uit dan nadat over
de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal overleg is gepleegd
in een overlegvergadering. Ten aanzien van de bespreking van het
voorgenomen besluit in de overlegvergadering is artikel 24, tweede
lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Indien na het advies van de ondernemingsraad een besluit als in
het eerste lid bedoeld wordt genomen, wordt de ondernemingsraad door
de ondernemer zo spoedig mogelijk van het besluit schriftelijk in
kennis gesteld. Indien het advies van de ondernemingsraad niet of
niet geheel is gevolgd, wordt aan de ondernemingsraad tevens
meegedeeld, waarom van dat advies is afgeweken. Voor zover de
ondernemingsraad daarover nog niet heeft geadviseerd, wordt voorts
het advies van de ondernemingsraad ingewonnen over de uitvoering van
het besluit.
6. Tenzij het besluit van de ondernemer overeenstemt met het advies
van de ondernemingsraad, is de ondernemer verplicht de uitvoering
van zijn besluit op te schorten tot een maand na de dag waarop de
ondernemingsraad van het besluit in kennis is gesteld. De
verplichting vervalt wanneer de ondernemingsraad zulks te kennen
geeft.
Artikel 26
1. De ondernemingsraad kan bij de ondernemingskamer van het
gerechtshof te Amsterdam beroep instellen tegen een besluit van de
ondernemer als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, hetzij wanneer dat
besluit niet in overeenstemming is met het advies van de
ondernemingsraad, hetzij wanneer feiten of omstandigheden bekend
zijn geworden, die, waren zij aan de ondernemingsraad bekend geweest
ten tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden
kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is
uitgebracht.
2. Het beroep wordt ingediend bij verzoekschrift, binnen een maand
nadat de ondernemingsraad van het in het eerste lid bedoelde besluit
in kennis is gesteld.
3. De ondernemer wordt van het ingestelde beroep in kennis gesteld.
4. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld ter zake dat de
ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.
5. De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed.
Alvorens te beslissen kan zij, ook ambtshalve, deskundigen, alsmede
in de onderneming werkzame personen horen. Indien de
ondernemingskamer het beroep gegrond bevindt, verklaart zij dat de
ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid tot het betrokken besluit had kunnen komen. Zij kan
voorts, indien de ondernemingsraad daarom heeft verzocht, een of
meer van de volgende voorzieningen treffen:
a. het opleggen van de verplichting aan de ondernemer om het besluit
geheel of ten dele in te trekken, alsmede om aan te wijzen gevolgen
van dat besluit ongedaan te maken;
b. het opleggen van een verbod aan de ondernemer om handelingen te
verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit of
van onderdelen daarvan.
Een voorziening van de ondernemingskamer kan door derden verworven
rechten niet aantasten.
6. Het is verboden een verplichting of een verbod als bedoeld in het
vorige lid niet na te komen, onderscheidenlijk te overtreden.
7. De ondernemingskamer kan haar beslissing op een verzoek tot het
treffen van voorzieningen voor een door haar te bepalen termijn
aanhouden, indien beide partijen daarom verzoeken, dan wel indien de
ondernemer op zich neemt het besluit waartegen beroep is ingesteld,
in te trekken of te wijzigen, of bepaalde gevolgen van het besluit
ongedaan te maken.
8. Nadat het verzoekschrift is ingediend kan de ondernemingskamer,
zo nodig onverwijld, voorlopige voorzieningen treffen. Het vijfde
lid, vierde en vijfde volzin, en het zesde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
9. Van een beschikking van de ondernemingskamer staat uitsluitend
beroep in cassatie open.
Artikel 27
1. De ondernemer behoeft de instemming van de ondernemingsraad voor
elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of
intrekking van:
a. een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering, een
winstdelingsregeling of een spaarregeling;
b. een werktijd- of een vakantieregeling;
c. een belonings- of een functiewaarderingssysteem;
d. een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het
ziekteverzuim of het reintegratiebeleid;
e. een regeling op het gebied van het aanstellings-, ontslag- of
bevorderingsbeleid;
f. een regeling op het gebied van de personeelsopleiding;
g. een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling;
h. een regeling op het gebied van het bedrijfsmaatschappelijk werk;
i. een regeling op het gebied van het werkoverleg;
j. een regeling op het gebied van de behandeling van klachten;
k. een regeling omtrent het verwerken van alsmede de bescherming van
de persoonsgegevens van de in de onderneming werkzame personen;
l. een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt
zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of
prestaties van de in de onderneming werkzame personen;
een en ander voor zover betrekking hebbende op alle of een groep van
de in de onderneming werkzame personen.
2. De ondernemer legt het te nemen besluit schriftelijk aan de
ondernemingsraad voor. Hij verstrekt daarbij een overzicht van de
beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het
besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame
personen zal hebben. De ondernemingsraad beslist niet dan nadat over
de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal overleg is gepleegd
in een overlegvergadering. Na het overleg deelt de ondernemingsraad
zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed zijn
beslissing aan de ondernemer mee. Na de beslissing van de
ondernemingsraad deelt de ondernemer zo spoedig mogelijk
schriftelijk aan de ondernemingsraad mee welk besluit hij heeft
genomen en met ingang van welke datum hij dat besluit zal uitvoeren.
3. De in het eerste lid bedoelde instemming is niet vereist, voor
zover de betrokken aangelegenheid voor de onderneming reeds
inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst of
een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een
publiekrechtelijk orgaan.
4. Heeft de ondernemer voor het voorgenomen besluit geen instemming
van de ondernemingsraad verkregen, dan kan hij de kantonrechter
toestemming vragen om het besluit te nemen. De kantonrechter geeft
slechts toestemming, indien de beslissing van de ondernemingsraad om
geen instemming te geven onredelijk is, of het voorgenomen besluit
van de ondernemer gevergd wordt door zwaarwegende
bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale
redenen.
5. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, genomen zonder de
instemming van de ondernemingsraad of de toestemming van de
kantonrechter, is nietig, indien de ondernemingsraad tegenover de
ondernemer schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft gedaan. De
ondernemingsraad kan slechts een beroep op de nietigheid doen binnen
een maand nadat hetzij de ondernemer hem zijn besluit overeenkomstig
de laatste volzin van het tweede lid heeft meegedeeld, hetzij - bij
gebreke van deze mededeling - de ondernemingsraad is gebleken dat de
ondernemer uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit.
6. De ondernemingsraad kan de kantonrechter verzoeken de ondernemer
te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot
uitvoering of toepassing van een nietig besluit als bedoeld in het
vijfde lid. De ondernemer kan de kantonrechter verzoeken te
verklaren dat de ondernemingsraad ten onrechte een beroep heeft
gedaan op nietigheid als bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 28
1. De ondernemingsraad bevordert zoveel als in zijn vermogen ligt de
naleving van de voor de onderneming geldende voorschriften op het
gebied van de arbeidsvoorwaarden, alsmede van de voorschriften op
het gebied van de arbeidsomstandigheden en arbeids- en rusttijden
van de in de onderneming werkzame personen.
2. De ondernemingsraad bevordert voorts naar vermogen het
werkoverleg, alsmede het overdragen van bevoegdheden in de
onderneming, zodat de in de onderneming werkzame personen zoveel
mogelijk worden betrokken bij de regeling van de arbeid in het
onderdeel van de onderneming waarin zij werkzaam zijn.
3. De ondernemingsraad waakt in het algemeen tegen discriminatie in
de onderneming en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling
van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en
minderheden in de onderneming.
4. De ondernemingsraad bevordert naar vermogen de zorg van de
onderneming voor het milieu, waaronder begrepen het treffen of
wijzigen van beleidsmatige, organisatorische en administratieve
voorzieningen in verband met het milieu.
Artikel 29
De ondernemingsraad heeft het recht, al dan niet uit zijn midden,
een door de ondernemer te bepalen aantal, maar ten minste de helft,
te benoemen van de bestuursleden van door de ondernemer ten behoeve
van in de onderneming werkzame personen opgerichte instellingen,
behoudens voor zover bij of krachtens de wet op andere wijze in het
bestuur van een instelling is voorzien.
Artikel 30
1. De ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid
gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit
tot benoeming of ontslag van een bestuurder van de onderneming.
2. Het advies moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd, dat het
van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.
3. De ondernemer stelt de ondernemingsraad in kennis van de
beweegredenen voor het besluit en verstrekt voorts in het geval van
een benoeming gegevens waaruit de ondernemingsraad zich een oordeel
kan vormen over de betrokkene, in verband met diens toekomstige
functie in de onderneming. Artikel 25, vierde lid en vijfde lid,
eerste en tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 31
1. De ondernemer is verplicht desgevraagd aan de ondernemingsraad en
aan de commissies van die raad tijdig alle inlichtingen en gegevens
te verstrekken die deze voor de vervulling van hun taak
redelijkerwijze nodig hebben. De inlichtingen en gegevens worden
desgevraagd schriftelijk verstrekt.
2. De ondernemer is verplicht aan de ondernemingsraad bij het begin
van iedere zittingsperiode schriftelijk gegevens te verstrekken
omtrent:
a. de rechtsvorm van de ondernemer, waarbij indien de ondernemer een
niet-publiekrechtelijke rechtspersoon is, mede de statuten van die
rechtspersoon moeten worden verstrekt;
b. indien de ondernemer een natuurlijke persoon, een maatschap of
een niet-rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap is: de naam
en de woonplaats van onderscheidenlijk die persoon, de maten of de
beherende vennoten;
c. indien de ondernemer een rechtspersoon is: de naam en de
woonplaats van de commissarissen of de bestuursleden;
d. indien de ondernemer deel uitmaakt van een aantal in een groep
verbonden ondernemers: de ondernemers die deel uitmaken van die
groep, de zeggenschapsverhoudingen waardoor zij onderling zijn
verbonden, alsmede de naam en de woonplaats van degenen die ten
gevolge van de bedoelde verhoudingen feitelijke zeggenschap over de
ondernemer kunnen uitoefenen;
e. de ondernemers of de instellingen met wie de ondernemer, anders
dan uit hoofde van zeggenschapsverhoudingen als bedoeld onder d,
duurzame betrekkingen onderhoudt die van wezenlijk belang kunnen
zijn voor het voortbestaan van de onderneming, alsmede de naam en de
woonplaats van degenen die ten gevolge van zodanige betrekkingen
feitelijke zeggenschap over de ondernemer kunnen uitoefenen;
f. de organisatie van de onderneming, de naam en de woonplaats van
de bestuurders en van de belangrijkste overige leidinggevende
personen, alsmede de wijze waarop de bevoegdheden tussen de bedoelde
personen zijn verdeeld.
3. De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad zo spoedig
mogelijk in kennis te stellen van wijzigingen die zich in de in het
tweede lid bedoelde gegevens hebben voorgedaan.
Artikel 31a
1. De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van
de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste tweemaal
per jaar aan de ondernemingsraad mondeling of schriftelijk algemene
gegevens omtrent de werkzaamheden en de resultaten van de
onderneming in het verstreken tijdvak, in het bijzonder met
betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 25.
2. Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een stichting
of vereniging als bedoeld in artikel 360, derde lid, van boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, een coöperatie, een onderlinge
waarborgmaatschappij, een naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, verstrekt de ondernemer
zo spoedig mogelijk na de vaststelling van zijn jaarrekening een
exemplaar van de jaarrekening en het jaarverslag in de Nederlandse
taal en de daarbij te voegen overige gegevens, als bedoeld in
artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, ter bespreking
aan de ondernemingsraad. De mededeling die een rechtspersoon
ingevolge artikel 362, zesde lid, laatste volzin, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek moet verstrekken geschiedt gelijktijdig met die
aan de algemene vergadering van aandeelhouders.
3. Indien de financiële gegevens van een ondernemer die deel
uitmaakt van in een groep verbonden ondernemers zijn opgenomen in
een geconsolideerde jaarrekening als bedoeld in artikel 405 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, verstrekt de ondernemer ter bespreking
aan de ondernemingsraad deze geconsolideerde jaarrekening, het
jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van dat
boek, van de rechtspersoon die de geconsolideerde jaarrekening heeft
opgesteld. Indien de financiële gegevens van zulk een ondernemer
niet in een geconsolideerde jaarrekening zijn opgenomen, verstrekt
de ondernemer in plaats hiervan ter bespreking aan de
ondernemingsraad schriftelijke gegevens waaruit de ondernemingsraad
zich een inzicht kan vormen in het gezamenlijke resultaat van de
ondernemingen van die groep ondernemers.
4. Indien de jaarrekening van de ondernemer betrekking heeft op meer
dan één onderneming, verstrekt de ondernemer aan de ondernemingsraad
tevens schriftelijke gegevens waaruit deze zich een inzicht kan
vormen in de mate waarin de onderneming waarvoor hij is ingesteld
tot het gezamenlijke resultaat van die ondernemingen heeft
bijgedragen. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing,
indien een geconsolideerde jaarrekening, als bedoeld in het derde
lid, wordt verstrekt.
5. Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een ondernemer
op wie het tweede lid van dit artikel niet van toepassing is,
verstrekt de ondernemer bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen vervangende schriftelijke gegevens ter bespreking aan de
ondernemingsraad. Het derde en vierde lid van dit artikel zijn van
overeenkomstige toepassing.
6. De ondernemer doet, mede ten behoeve van de bespreking van de
algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste tweemaal per
jaar aan de ondernemingsraad mondeling of schriftelijk mededeling
omtrent zijn verwachtingen ten aanzien van de werkzaamheden en de
resultaten van de onderneming in het komende tijdvak, in het
bijzonder met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel
25, alsmede met betrekking tot alle investeringen in binnenland en
buitenland.
7. Indien de ondernemer met betrekking tot de onderneming een
meerjarenplan, dan wel een raming of een begroting van inkomsten of
uitgaven pleegt op te stellen, wordt dat plan, onderscheidenlijk die
raming of die begroting, dan wel een samenvatting daarvan, met een
toelichting aan de ondernemingsraad verstrekt en in de bespreking
betrokken. Het derde en vierde lid van dit artikel zijn van
overeenkomstige toepassing.
8. Indien de ondernemer ingevolge artikel 12.4 van de Wet
milieubeheer verplicht is tot het opstellen van een milieuverslag,
verstrekt hij zo spoedig mogelijk na het opstellen van dit verslag
een exemplaar daarvan ter bespreking aan de ondernemingsraad.
Artikel 31b
1. De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van
de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste éénmaal
per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk algemene gegevens
inzake de aantallen en de verschillende groepen van de in de
onderneming werkzame personen, alsmede inzake het door hem in het
afgelopen jaar ten aanzien van die personen gevoerde sociale beleid,
in het bijzonder met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in
de artikelen 27, 28 en 29. Deze gegevens worden kwantitatief zodanig
gespecificeerd dat daaruit blijkt welke uitwerking de verschillende
onderdelen van het sociale beleid hebben gehad voor afzonderlijke
bedrijfsonderdelen en functiegroepen.
2. De ondernemer doet daarbij tevens mondeling of schriftelijk
mededeling van zijn verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling
van de personeelsbezetting in het komende jaar, alsmede van het door
hem in dat jaar te voeren sociale beleid, in het bijzonder met
betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 27, 28 en
29.
Artikel 31c
De ondernemer doet aan de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk
mededeling van zijn voornemen tot het verstrekken van een
adviesopdracht aan een deskundige buiten de onderneming, met
betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 27.
Artikel 31d
De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van de
algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste eenmaal per
jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk informatie over de hoogte
en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per
verschillende groep van de in de onderneming werkzame personen.
De ondernemer verstrekt daarbij tevens schriftelijke informatie over
de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en
afspraken met het bestuur dat de rechtspersoon vertegenwoordigt en
het
totaal van de vergoedingen, dat wordt verstrekt aan het
toezichthoudend orgaan, bedoeld in artikel 24, tweede lid.
Ten aanzien van het eerste en tweede lid wordt inzichtelijk gemaakt
met welk percentage deze arbeidsvoorwaardelijke regelingen en
afspraken zich verhouden tot elkaar en tot die van het voorgaande
jaar.
Indien een groep, als bedoeld in het eerste lid, het bestuur of het
toezichthoudend orgaan, bedoeld in het tweede lid, uit minder dan
vijf personen bestaat, is het mogelijk om voor de toepassing van
deze leden
twee of meer functies samen te voegen, zodat een groep van ten
minste vijf personen ontstaat.
De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk
in kennis te stellen van belangrijke wijzigingen die in deze
regelingen en afspraken worden aangebracht.
Dit artikel is uitsluitend van toepassing op ondernemingen waarin in
de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn.
Artikel 31e
Artikel 31d is niet van toepassing op:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan een
van de bestuurders of commissarissen een natuurlijk persoon is die
een direct of indirect belang heeft in de rechtspersoon
overeenkomstig artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of
de rechtspersoon waarop de artikelen 396 of 397 van titel 9 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.
Artikel 32
1. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van
arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan
kunnen aan de ondernemingsraad of aan de ondernemingsraden van de
bij die overeenkomst of die regeling betrokken onderneming of
ondernemingen verdere bevoegdheden dan in deze wet genoemd worden
toegekend.
2. Bij schriftelijke overeenkomst tussen de ondernemer en de
ondernemingsraad kunnen aan de ondernemingsraad meer bevoegdheden
dan de in deze wet genoemde worden toegekend en kunnen aanvullende
voorschriften over de toepassing van het bij of krachtens deze wet
bepaalde worden gegeven. De ondernemer zendt een afschrift van de
overeenkomst aan de bedrijfscommissie.
3. Indien aan de ondernemingsraad op grond van dit artikel een
adviesrecht of instemmingsrecht is toegekend, is het advies of de
instemming van de ondernemingsraad niet vereist, voor zover de
aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld in
een collectieve arbeidsovereenkomst of in een regeling, vastgesteld
door een publiekrechtelijk orgaan.
4. Indien in de overeenkomst aan de ondernemingsraad een recht op
advies of instemming wordt gegeven over andere voorgenomen besluiten
dan genoemd in de artikelen 25 onderscheidenlijk 27, zijn de
artikelen 26 onderscheidenlijk 27, vierde tot en met zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 32a [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 32b [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 32c [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 33
1. De ondernemer die twee of meer ondernemingsraden heeft ingesteld
stelt tevens voor de door hem in stand gehouden ondernemingen een
centrale ondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is voor een
goede toepassing van deze wet ten aanzien van deze ondernemingen.
2. De ondernemer die meer dan twee ondernemingsraden heeft ingesteld
stelt voor een aantal van de door hem in stand gehouden
ondernemingen een groepsondernemingsraad in indien dit bevorderlijk
is voor een goede toepassing van deze wet ten aanzien van deze
ondernemingen.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van in een groep verbonden ondernemers, die te zamen twee of
meer ondernemingsraden hebben ingesteld. De betrokken ondernemers
wijzen een tot hun groep behorende ondernemer aan, die voor de
toepassing van deze wet namens hen als ondernemer optreedt ten
opzichte van de centrale ondernemingsraad of de
groepsondernemingsraad.
Artikel 34
1. Een centrale ondernemingsraad bestaat uit leden, gekozen door de
betrokken ondernemingsraden uit de leden van elk van die raden. Voor
ieder lid kan een plaatsvervanger worden gekozen, die dezelfde
rechten en verplichtingen heeft als het lid dat hij vervangt.
2. Indien een of meer groepsondernemingsraden zijn ingesteld, kan de
centrale ondernemingsraad in zijn reglement bepalen, dat die raad,
in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geheel of ten dele
zal bestaan uit leden, gekozen door de betrokken
groepsondernemingsraden uit de leden van die raden. Voor ieder aldus
gekozen lid kan een plaatsvervanger worden gekozen, die dezelfde
rechten en verplichtingen heeft als het lid dat hij vervangt.
3. Het aantal leden dat uit elke ondernemingsraad of
groepsondernemingsraad kan worden gekozen, wordt vastgesteld in het
reglement van de centrale ondernemingsraad. Het reglement bevat
voorts voorzieningen dat de verschillende groepen van de in de
betrokken ondernemingen werkzame personen zoveel mogelijk in de
centrale ondernemingsraad vertegenwoordigd zijn. De betrokken
ondernemingsraden of groepsondernemingsraden worden over de
vaststelling van de betrokken bepalingen van het reglement gehoord.
4. Een centrale ondernemingsraad kan in zijn reglement bepalen dat
van die raad, behalve de in het derde lid bedoelde leden, ook deel
kunnen uitmaken vertegenwoordigers van ondernemingen die door de in
artikel 33 bedoelde ondernemer of ondernemers in stand worden
gehouden, maar ten aanzien waarvan geen verplichting tot het
instellen van een ondernemingsraad geldt. De centrale
ondernemingsraad regelt in zijn reglement het aantal en de wijze van
verkiezing van de bedoelde vertegenwoordigers.
5. Wanneer een lid van een centrale ondernemingsraad of zijn
plaatsvervanger ophoudt lid te zijn van de ondernemingsraad of van
de groepsondernemingsraad die hem heeft gekozen, eindigt van
rechtswege zijn lidmaatschap van de centrale ondernemingsraad. Het
zelfde geldt wanneer een vertegenwoordiger van een onderneming als
bedoeld in het vierde lid ophoudt in de betrokken onderneming
werkzaam te zijn. De uitsluiting, bedoeld in artikel 13, van een
ondernemingsraadlid of van een groepsondernemingsraadlid, die tevens
lid is van een centrale ondernemingsraad, heeft tot gevolg dat de
betrokkene ook van deelname aan de werkzaamheden van de centrale
ondernemingsraad is uitgesloten.
6. Ten aanzien van de centrale ondernemingsraad zijn de artikelen 7,
8, 10-14, 15, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 16-22 van
overeenkomstige toepassing.
7. Ten aanzien van een groepsondernemingsraad zijn de voorgaande
leden, met uitzondering van het tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 35
1. Ten aanzien van de centrale ondernemingsraden en de
groepsondernemingsraden zijn de artikelen 22a tot en met 32, met
uitzondering van de artikelen 23c en 24, derde lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat door die raden
uitsluitend aangelegenheden worden behandeld die van
gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor de meerderheid van
de ondernemingen waarvoor zij zijn ingesteld en ongeacht of ten
aanzien van die aangelegenheden bevoegdheden toekomen aan de
afzonderlijke ondernemingsraden.
2. Indien bevoegdheden ten aanzien van aangelegenheden als bedoeld
in het eerste lid toekomen aan afzonderlijke ondernemingsraden, gaan
deze over naar de centrale ondernemingsraad, onderscheidenlijk de
groepsondernemingsraad, met dien verstande dat een
groepsondernemingsraad geen aangelegenheden behandelt die door de
centrale ondernemingsraad worden behandeld.
Artikel 35a [Vervallen per 04-03-1998]
Artikel 35b
1. De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de
regel ten minste 10 personen maar minder dan 50 personen werkzaam
zijn en waarvoor geen ondernemingsraad of een
personeelsvertegenwoordiging is ingesteld, is verplicht de in deze
onderneming werkzame personen tenminste tweemaal per kalenderjaar in
de gelegenheid te stellen gezamenlijk met hem bijeen te komen. Hij
is voorts verplicht met de in de onderneming werkzame personen
bijeen te komen, wanneer tenminste een vierde van hen daartoe een
met redenen omkleed verzoek doet.
2. In de in het eerste lid bedoelde vergaderingen worden de
aangelegenheden, de onderneming betreffende, aan de orde gesteld ten
aanzien waarvan de ondernemer of in de onderneming werkzame personen
overleg wenselijk achten. Iedere in de onderneming werkzame persoon
is bevoegd omtrent deze aangelegenheden voorstellen te doen en
standpunten kenbaar te maken.
3. Indien de ondernemer de onderneming niet zelf bestuurt, wordt het
overleg voor hem gevoerd door de bestuurder van de onderneming. De
ondernemer en de bestuurder kunnen zich bij verhindering laten
vervangen door een in de onderneming werkzame persoon die bevoegd is
om namens de ondernemer overleg met de werknemers te voeren.
4. In de in het eerste lid bedoelde vergaderingen wordt tenminste
eenmaal per jaar de algemene gang van zaken van de onderneming
besproken. De ondernemer verstrekt daartoe mondeling of schriftelijk
algemene gegevens omtrent de werkzaamheden en de resultaten van de
onderneming in het afgelopen jaar, alsmede omtrent zijn
verwachtingen dienaangaande in het komende jaar. Voor zover de
ondernemer verplicht is zijn jaarrekening en jaarverslag ter inzage
van een ieder neer te leggen, worden in de Nederlandse taal gestelde
exemplaren van deze jaarstukken ter bespreking aan de in de
onderneming werkzame personen verstrekt. De ondernemer verstrekt
voorts mondeling of schriftelijk algemene gegevens inzake het door
hem ten aanzien van de in de onderneming werkzame personen gevoerde
en te voeren sociale beleid.
5. De in de onderneming werkzame personen worden door de ondernemer,
in een vergadering als bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid
gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit
dat kan leiden tot verlies van de arbeidsplaats of tot een
belangrijke verandering van de arbeid, de arbeidsvoorwaarden of de
arbeidsomstandigheden van tenminste een vierde van de in de
onderneming werkzame personen. Het advies wordt op een zodanig
tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te
nemen besluit. De in de eerste volzin bedoelde verplichting geldt
niet, indien en voor zover de betrokken aangelegenheid voor de
onderneming reeds inhoudelijk geregeld is in een collectieve
arbeidsovereenkomst of in een regeling, vastgesteld door een
publiekrechtelijk orgaan.
6. De in de voorgaande leden bedoelde verplichtingen gelden niet ten
aanzien van personen die nog geen zes maanden in de onderneming
werkzaam zijn. Zij vervallen wanneer de ondernemer met toepassing
van artikel 5a een ondernemingsraad heeft ingesteld, maar treden
weer in werking wanneer de ondernemingsraad op grond van artikel 5a,
eerste lid, ophoudt te bestaan of overeenkomstig het tweede lid van
dat artikel is opgeheven.
Artikel 35c
1. De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de
regel ten minste 10 personen maar minder dan 50 personen werkzaam
zijn en waarvoor geen ondernemingsraad is ingesteld, kan een
personeelsvertegenwoordiging instellen, bestaande uit ten minste
drie personen die rechtstreeks gekozen zijn bij geheime
schriftelijke stemming door en uit in de onderneming werkzame
personen.
2. Op verzoek van de meerderheid van de in de onderneming werkzame
personen stelt de ondernemer de in het eerste lid bedoelde
personeelsvertegenwoordiging in.
3. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, is artikel 5a,
tweede lid, derde en vierde volzin, van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 7, 13, 17, 18, eerste en tweede lid, 21, 22, eerste
lid, tweede lid, voor zover het betreft de kosten van het voeren van
rechtsgedingen, en derde lid, 22a, 27, eerste lid, onderdeel b, voor
zover het betreft een werktijdregeling, en onderdeel d, derde tot en
met zesde lid, 31, eerste lid, 32, 35b, vierde en vijfde lid,
behoudens de in dat lid bedoelde arbeidsomstandigheden, en 36 zijn
van overeenkomstige toepassing.
4. De ondernemer legt een voorgenomen besluit als bedoeld in artikel
27, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een
werktijdregeling, en onderdeel d, schriftelijk aan de
personeelsvertegenwoordiging voor. Hij verstrekt daarbij een
overzicht van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de
gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de
onderneming werkzame personen zal hebben. De
personeelsvertegenwoordiging beslist niet dan nadat over de
betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal met de ondernemer
overleg is gepleegd. Na het overleg deelt de
personeelsvertegenwoordiging zo spoedig mogelijk schriftelijk en met
redenen omkleed zijn beslissing aan de ondernemer mee. Na de
beslissing van de personeelsvertegenwoordiging deelt de ondernemer
zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de personeelsvertegenwoordiging
mee welk besluit hij heeft genomen en met ingang van welke datum hij
dat besluit zal uitvoeren.
5. De personeelsvertegenwoordiging kan met toestemming van de
ondernemer commissies instellen of deskundigen uitnodigen. Ten
aanzien van het uitnodigen van deskundigen is toestemming niet
vereist, wanneer de deskundige geen kosten in rekening brengt of
wanneer de kosten door de personeelsvertegenwoordiging bestreden
worden uit een bedrag als bedoeld in artikel 22, derde lid. Heeft de
ondernemer toestemming gegeven voor het raadplegen van een
deskundige, dan komen de kosten daarvan te zijnen laste.
6. Inlichtingen en gegevens bestemd voor de
personeelsvertegenwoordiging, die volgens artikel 31, eerste lid,
schriftelijk moeten worden verstrekt, mogen door de ondernemer ook
mondeling worden verstrekt.
Artikel 35d
1. De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de
regel minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvoor geen
ondernemingsraad is ingesteld, kan een personeelsvertegenwoordiging,
als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, instellen.
2. De artikelen 5a, tweede lid, derde en vierde volzin, 7, 13, 17,
18, eerste en tweede lid, 21, 22, eerste lid, tweede lid, voor zover
het betreft de kosten van het voeren van rechtsgedingen, en derde
lid, 22a, 27, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een
werktijdregeling, onderdeel d, derde tot en met zesde lid, 31,
eerste lid, 32 en 36 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 35c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, en
het vijfde en zesde lid zijn van toepassing.
Artikel 36
1. Iedere belanghebbende kan de kantonrechter verzoeken te bepalen
dat de ondernemer of de ondernemingsraad gevolg dient te geven aan
hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald omtrent het instellen
of in stand houden van een ondernemingsraad, het vaststellen van een
voorlopig of een definitief reglement van de ondernemingsraad, de
kandidaatstelling voor en de verkiezing van de leden van de
ondernemingsraad, alsmede omtrent het bekend maken van agenda's en
verslagen van vergaderingen, een en ander voor zover dit van de
ondernemer of de ondernemingsraad afhangt.
2. De ondernemingsraad en de ondernemer kunnen de kantonrechter
verzoeken te bepalen dat de ondernemer, onderscheidenlijk de
ondernemingsraad gevolg dient te geven aan hetgeen overigens bij of
krachtens deze wet is bepaald, een en ander voor zover dit van de
ondernemer onderscheidenlijk de ondernemingsraad afhangt.
3. Een verzoek aan de kantonrechter op grond van deze wet, is niet
ontvankelijk indien de verzoeker niet vooraf schriftelijk de
bemiddeling van de bedrijfscommissie heeft gevraagd. De
bedrijfscommissie stelt de wederpartij in de gelegenheid omtrent het
verzoek te worden gehoord. De bedrijfscommissie tracht een
minnelijke schikking tussen partijen tot stand te brengen. Indien
geen minnelijke schikking wordt bereikt, brengt de bedrijfscommissie
binnen twee maanden nadat haar bemiddeling is gevraagd, aan partijen
schriftelijk verslag van haar bevindingen uit met een advies omtrent
de oplossing van het geschil. De bedrijfscommissie kan de termijn
voor het uitbrengen van haar advies met instemming van beide
partijen voor ten hoogste twee maanden verlengen.
4. Het verzoekschrift aan de kantonrechter wordt ingediend binnen
dertig dagen nadat de bedrijfscommissie haar advies aan partijen
heeft uitgebracht, doch uiterlijk binnen dertig dagen na het
verstrijken van de in het derde lid genoemde termijn. Het verslag
van bevindingen en het advies van de bedrijfscommissie worden bij
het verzoekschrift overgelegd.
5. Een verzoekschrift aan de kantonrechter met betrekking tot de
naleving van artikel 25 ten aanzien van een besluit als in dat
artikel bedoeld, wordt niet ontvankelijk verklaard, indien blijkt
dat de ondernemingsraad voor of na de indiening van het
verzoekschrift tegen dat besluit beroep heeft ingesteld bij de
ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam.
6. Een verzoek aan de kantonrechter op grond van artikel 27, vierde
en zesde lid is niet ontvankelijk indien met betrekking tot dezelfde
aangelegenheid een eis is gesteld als bedoeld in de
Arbeidsomstandighedenwet 1998.
7. De kantonrechter kan in zijn uitspraak aan de ondernemer,
onderscheidenlijk de ondernemingsraad de verplichting opleggen om
bepaalde handelingen te verrichten of na te laten. Het is de
ondernemer verboden een zodanige verplichting niet na te komen.
Wanneer de ondernemingsraad een zodanige verplichting niet nakomt,
kan de kantonrechter de ondernemingsraad ontbinden, onder oplegging
van de verplichting aan die raad tot het doen verkiezen van een
nieuwe ondernemingsraad. Blijft de ondernemingsraad in gebreke, dan
kan de kantonrechter de ondernemer machtigen een nieuwe
ondernemingsraad te doen verkiezen.
8. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de naleving van hetgeen bij of krachtens deze wet is
bepaald met betrekking tot een centrale ondernemingsraad en een
groepsondernemingsraad.
Artikel 36a
Iedere in de onderneming werkzame persoon, met uitzondering van een
persoon als bedoeld in artikel 35b, zesde lid, alsmede een
vereniging van werknemers, die één of meer in de onderneming
werkzame personen onder haar leden telt, die krachtens haar statuten
ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te
behartigen en als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak
werkzaam is en voorts tenminste twee jaar in het bezit is van
volledige rechtsbevoegdheid, kan de kantonrechter verzoeken te
bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan artikel 35b .
Artikel 37
1. Voor groepen van ondernemingen worden door de Raad, ter
behandeling van aangelegenheden betreffende de ondernemingsraden, de
centrale ondernemingsraden, de groepsondernemingsraden van deze
ondernemingen, de personeelsvertegenwoordiging en de vergadering als
bedoeld in artikel 35b, commissies ingesteld, bedrijfscommissies
genaamd.
2. Een bedrijfscommissie bestaat uit een door de Raad na overleg met
de in artikel 38 bedoelde organisaties van ondernemers en van
werknemers te bepalen even aantal leden, ten minste zes bedragende,
en een gelijk aantal plaatsvervangende leden.
Artikel 38
1. De leden en de plaatsvervangende leden van een bedrijfscommissie
worden voor de helft benoemd door de door de Raad daartoe aangewezen
representatieve organisatie of organisaties van ondernemers en voor
de helft door de door de Raad daartoe aangewezen representatieve
organisatie of organisaties van werknemers.
2. De Raad bepaalt het aantal leden en plaatsvervangende leden dat
elke aangewezen organisatie kan benoemen.
Artikel 39
1. De Raad stelt bij verordening nadere regelen omtrent de
samenstelling en de werkwijze van de bedrijfscommissies. Daarbij
wordt aan deze commissies de bevoegdheid verleend commissies, al dan
niet uit haar midden, in te stellen. De bedrijfscommissie kan de
aldus ingestelde commissies machtigen haar bevoegdheden uit te
oefenen.
2. De Raad stelt voorts regelen omtrent het voorzitterschap van de
bedrijfscommissies. Daarbij wordt aan deze commissies de bevoegdheid
toegekend, een voorzitter buiten de leden der commissie te kiezen,
al dan niet met stemrecht.
Artikel 40
1. Iedere bedrijfscommissie brengt jaarlijks aan Onze Minister en
aan de Raad verslag uit van haar werkzaamheden in het afgelopen
kalenderjaar.
2. Onze Minister kan regelen stellen ten aanzien van de
verslaggeving.
Artikel 41
1. De kosten van een bedrijfscommissie worden, voor zover daarin
niet op andere wijze wordt voorzien, door de in artikel 38 bedoelde
organisaties van ondernemers en werknemers gedragen, naar
evenredigheid van het aantal leden dat zij benoemen.
2. Wanneer een organisatie in gebreke blijft binnen de termijn, door
de bedrijfscommissie gesteld, haar bijdrage in de kosten van de
bedrijfscommissie te voldoen, kan de Raad de aanwijzing van die
organisatie intrekken, onverminderd de aansprakelijkheid van de
organisatie tot het betalen van haar aandeel in de reeds gemaakte
kosten. Door de intrekking vervalt het lidmaatschap van de
bedrijfscommissie van de door die organisatie benoemde leden en
plaatsvervangende leden, te rekenen van het tijdstip waarop het
besluit van de Raad bij de bedrijfscommissie inkomt.
Artikel 42
Ten aanzien van de voorzitters, de leden en de plaatsvervangende
leden van de bedrijfscommissies, alsmede ten aanzien van de personen
die met het secretariaat van een bedrijfscommissie zijn belast, is
artikel 20, eerste en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43
Indien voor een groep van ondernemingen een hoofdbedrijfschap of een
bedrijfschap als bedoeld in de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb.
1950, K 22) bestaat, kan de Raad het bestuur van dat
hoofdbedrijfschap of bedrijfschap aanwijzen als bedrijfscommissie in
de zin van deze wet. In dat geval zijn de artikelen 37, 38 en 41
niet van toepassing en evenmin het bepaalde bij of krachtens artikel
39 voor zover het betreft de samenstelling en het voorzitterschap
van de bedrijfscommissie.
Artikel 44 [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 45 [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 46
1. Indien voor de behandeling van aangelegenheden betreffende een
ondernemingsraad, een centrale ondernemingsraad, een
groepsondernemingsraad, een personeelsvertegenwoordiging of een
vergadering als bedoeld in artikel 35b meer dan één
bedrijfscommissie bevoegd zou zijn, wijst de Raad de commissie aan
die voor de behandeling van de betrokken aangelegenheden als de
krachtens deze wet bevoegde commissie zal optreden.
2. Indien een ondernemer of een aantal in een groep verbonden
ondernemers meerdere ondernemingen in stand houdt waarvoor meer dan
één bedrijfscommissie bevoegd zou zijn, kan de Raad voor die
ondernemingen een afzonderlijke bedrijfscommissie instellen dan wel
de commissie aanwijzen die voor de behandeling van de
aangelegenheden betreffende de ondernemingsraden,
personeelsvertegenwoordigingen en vergaderingen als bedoeld in
artikel 35b van deze ondernemingen als de krachtens deze wet
bevoegde commissie optreedt.
Artikel 46a
1. De ondernemer op wie op grond van deze wet, een collectieve
arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden
vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan op 1 januari van het
betrokken kalenderjaar de verplichting rust een ondernemingsraad in
te stellen alsmede de ondernemer die op 1 januari van het betrokken
kalenderjaar een ondernemingsraad heeft met toepassing van artikel
5a, tweede lid, is een heffing verschuldigd ter bevordering van de
scholing en vorming van ondernemingsraadleden.
2. De heffing bedraagt een percentage van het bij de betrokken
ondernemer in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon in de zin
van de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van de
eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdelen b tot en met h, van die wet. Voor de toepassing van dit
lid wordt onder ondernemer verstaan: de inhoudingsplichtige in de
zin van de Wet op de loonbelasting 1964.
3. Het percentage van de heffing wordt jaarlijks door de Raad
vastgesteld bij verordening; het kan op nihil worden vastgesteld.
4. De heffing wordt namens de Raad door de rijksbelastingdienst bij
wege van aanslag geheven en ingevorderd, met overeenkomstige
toepassing van de voor de heffing en de invordering van de
inkomstenbelasting geldende regels.
5. In een verordening als bedoeld in het derde lid wordt bepaald op
welke wijze de afdracht van de heffing door de rijksbelastingdienst
aan de Raad geschiedt.
6. De Raad kan bij verordening nadere regels stellen omtrent de
toepassing van dit artikel.
7. Een verordening als bedoeld in dit artikel wordt, voorzover deze
betrekking heeft op ondernemingen waarin uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt
verricht, niet vastgesteld dan na overleg met de betrokken
werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales van
overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid.
8. Een verordening als bedoeld in dit artikel behoeft de goedkeuring
van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën.
Artikel 46b
1. De Raad kan uit de opbrengst van de in artikel 46a bedoelde
heffingen subsidies verstrekken aan rechtspersonen die zich ten doel
stellen de werkzaamheden van andere rechtspersonen op het gebied van
de scholing en vorming van ondernemingsraadleden te begeleiden en te
ondersteunen. De Raad kan bij verordening regels stellen inzake het
verstrekken van deze subsidies en daarbij een subsidieplafond
vaststellen.
2. Aan de subsidie worden in ieder geval de volgende verplichtingen
verbonden:
a. dat de betrokken rechtspersoon jaarlijks een begroting en een
rekening van de met zijn in het eerste lid bedoelde taak verband
houdende inkomsten en uitgaven opstelt en ter goedkeuring aan de
Raad voorlegt;
b. dat de onder a bedoelde rekening door of vanwege de Raad kan
worden gecontroleerd;
c. dat de betrokken rechtspersoon erop toeziet, dat de werkzaamheden
op het gebied van de scholing en vorming van ondernemingsraadleden,
waarvoor door hem geldelijke ondersteuning wordt verleend, wat de
kwaliteit betreft tenminste voldoen aan de voorwaarden die gelden
voor de subsidiëring van vormings- en ontwikkelingswerk voor
volwassenen door het Rijk, en dat deze werkzaamheden voorts passen
in de algemene opzet van het vormings- en ontwikkelingswerk voor
volwassenen in Nederland, als aangegeven door de rijksoverheid.
Artikel 46c
1. De door de Raad ter bevordering van de scholing en vorming van
ondernemingsraadleden geraamde inkomsten en uitgaven worden door hem
jaarlijks als een afzonderlijke dienst op de begroting gebracht.
2. De betrokken uitgaven, alsmede de middelen die tot dekking
daarvan hebben gediend, worden jaarlijks afzonderlijk op de rekening
van inkomsten en uitgaven van de Raad verantwoord.
Artikel 46d
Ten aanzien van een onderneming, waarin uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt
verricht, gelden de volgende bijzondere bepalingen:
a. Voor de toepassing van deze wet wordt als bestuurder in de zin
van deze wet niet aangemerkt
1. bij een ministerie: de minister of een staatssecretaris;
2. bij een provincie: de commissaris van de Koning, een lid van
gedeputeerde staten of een lid van provinciale staten;
3. bij een gemeente: de burgemeester, een lid van het college van
burgemeester en wethouders of een lid van de gemeenteraad;
4. bij een waterschap: de voorzitter, een lid van het dagelijks
bestuur van een waterschap of een lid van het algemeen bestuur;
5. bij de Kamers der Staten-Generaal: de voorzitter van de Kamer of
een lid;
6. bij de Raad van State: de vice-president of een staatsraad;
7. bij de Algemene Rekenkamer: de president of een lid van de
Algemene Rekenkamer;
8. bij de Nationale ombudsman: de Nationale ombudsman of een
substituut-ombudsman.
b. Voor de toepassing van artikel 23, tweede lid, zijn onder de
aangelegenheden de onderneming betreffende niet begrepen de
publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke
lichamen en onderdelen daarvan, noch het beleid ten aanzien van en
de uitvoering van die taken, behoudens voor zover het betreft de
gevolgen daarvan voor de werkzaamheden van de in de onderneming
werkzame personen.
c. Voor de toepassing van onderdeel b bij de rechtbanken, de
gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep
voor het bedrijfsleven, zijn onder de aangelegenheden de onderneming
betreffende tevens niet begrepen het beleid ten aanzien van en de
uitvoering van de rechterlijke taken als bedoeld in artikel 23,
tweede en derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie,
behoudens voorzover het de gevolgen daarvan betreft voor de
werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen.
d. De in de artikelen 5, 8, tweede en derde lid, 37, 38, 39 en 41,
tweede lid, van deze wet aan de Raad toegekende bevoegdheden worden
uitgeoefend door de Minister van Binnenlandse Zaken.
e. Voor de toepassing van artikel 38, eerste lid, kunnen behalve een
representatieve organisatie of organisaties van ondernemers ook een
of meerdere ministers aangewezen worden.
f. De verordenende bevoegdheid van de Raad, met uitzondering van de
bevoegdheid genoemd in artikel 46a, strekt zich niet uit tot
ondernemingen waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens
publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht.
g. Indien op grond van het bepaalde in onderdeel d de Minister van
Binnenlandse Zaken een bedrijfscommissie heeft ingesteld, dient deze
onverminderd het bepaalde in artikel 40, eerste lid, aan de Minister
van Binnenlandse Zaken verslag uit te brengen. De Minister van
Binnenlandse Zaken doet dit verslag toekomen aan de betrokken
werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales van
overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid.
h. Voor het behandelen en beslissen van verzoekschriften als bedoeld
in de artikelen 27 en 36, ter zake van een rechtbank, is bevoegd de
kantonrechter werkzaam bij de rechtbank, die binnen hetzelfde
ressort als eerste wordt genoemd in de Wet op de rechterlijke
indeling. Indien de rechtbank waarop het verzoekschrift betrekking
heeft binnen het ressort als eerste wordt genoemd in de Wet op de
rechterlijke indeling, is bevoegd de kantonrechter werkzaam bij de
rechtbank, die binnen hetzelfde ressort als tweede wordt genoemd in
Wet op de rechterlijke indeling.
i. Een beroep als bedoeld in artikel 26, eerste lid, ter zake van
het gerechtshof te Amsterdam, wordt ingesteld bij het gerechtshof te
's-Gravenhage.
Artikel 46e
1. De in artikel 46d aan de Minister van Binnenlandse Zaken
toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend na overleg met de
betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales
van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid.
2. In het in het eerste lid bedoelde overleg hebben de centrales van
overheidspersoneel evenveel stemmen als de betrokken werkgevers of
verenigingen van werkgevers.
3. Voor een besluit als bedoeld in de artikelen 8, tweede en derde
lid en 39 van deze Wet behoeft Onze Minister van Binnenlandse Zaken
de instemming van twee derde van de deelnemers aan het in het eerste
lid bedoelde overleg. Voor een besluit als bedoeld in de artikelen
5, 37, 38 en 41, tweede lid, van deze Wet behoeft Onze Minister van
Binnenlandse Zaken de instemming van de meerderheid van de
deelnemers aan het in het eerste lid bedoelde overleg.
Artikel 47
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere
regelen worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van
deze wet.
Artikel 48
1. De ondernemer op wie de verplichting tot het instellen van een
ondernemingsraad rust, treft bij voorlopig reglement, voor zover
nodig, de voorzieningen die tot de bevoegdheid van de
ondernemingsraad behoren, totdat de ondernemingsraad zelf die
bevoegdheid uitoefent. De vereniging of verenigingen van werknemers,
bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a, worden over het
voorlopige reglement gehoord.
2. Ten aanzien van het voorlopige reglement is artikel 8, eerste
lid, eerste en tweede volzin en tweede lid, van overeenkomstige
toepassing. De ondernemer zendt onverwijld een exemplaar van het
voorlopige reglement aan de bedrijfscommissie. Het voorlopige
reglement vervalt op het tijdstip waarop de ondernemingsraad het in
artikel 8 bedoelde reglement heeft vastgesteld.
3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de ondernemer of de ondernemers die een centrale
ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad hebben ingesteld.
Artikel 49
1. De ondernemer op wie de verplichting tot het instellen van een of
meer ondernemingsraden rust, alsmede de betrokken ondernemingsraden,
verstrekken desgevraagd aan een daartoe door Onze Minister
aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar inlichtingen omtrent
het instellen en het functioneren van deze ondernemingsraden.
2. De ondernemingsraden zenden hun jaarverslag aan de betrokken
bedrijfscommissie.
3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de ondernemer of de ondernemers die een centrale
ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad hebben ingesteld,
alsmede ten aanzien van die raden.
Artikel 49a [Vervallen per 01-04-1990]
Artikel 50
Voor de jaren 2006 en 2007 wordt in artikel 25, eerste lid,
onderdeel m, voor «artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel b»
gelezen: artikel 122d, tweede lid.
Artikel 51
De bedrijfscommissies, door de Raad ingesteld krachtens de Wet op de
Ondernemingsraden (Stb. 1950, K 174), worden geacht door de Raad te
zijn ingesteld krachtens deze wet.
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 53
1. Deze wet is niet van toepassing op de in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde hogescholen, Open
Universiteit, openbare academische ziekenhuizen, Koninklijke
Nederlandse Akademie van Wetenschappen en Koninklijke Bibliotheek
noch op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.
De wet stelt regels omtrent het besluit van het bestuur van een op
grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek bekostigde universiteit of deze wet met uitzondering van
Hoofdstuk VII B al dan niet van toepassing is op die universiteit.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan op voordracht van de
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen worden bepaald dat
de in de eerste volzin van het eerste lid opgenomen uitzondering
niet geldt voor één of meer van bedoelde instellingen. Daarbij kan
tevens worden bepaald dat Hoofdstuk VII B van deze wet niet van
toepassing is.
3. [Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 53a
Deze wet is niet van toepassing op het Ministerie van Defensie en de
daaronder ressorterende diensten, bedrijven of instellingen.
Artikel 53b
Deze wet is niet van toepassing op de rechterlijke ambtenaren
werkzaam bij de Hoge Raad.
Artikel 53c
Deze wet is niet van toepassing op:
a. de leden van de Raad van State;
b. de leden van de Algemene Rekenkamer;
c. de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen.
Artikel 54
1. Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de ondernemingsraden.
2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst,
en dat allen Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en
Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 28 januari 1971
JULIANA.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
B. ROOLVINK.
De Minister van Justitie,
C. H. F. POLAK.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
L. J. M. VAN SON.
Uitgegeven de achttiende februari 1971.
De Minister van Justitie,
C. H. F. POLAK.
(Tekst geldend op: 02-02-2006)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is
uitvoering te geven aan de richtlijn nr. 94/45/EG van de Raad
van de Europese Unie van 22 september 1994 inzake de instelling
van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in
ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter
informatie en raadpleging van de werknemers;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. lid-staat: een lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
b. richtlijn: de richtlijn nr. 94/45/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PbEG L 254);
c. een communautaire onderneming: een onderneming, die sinds twee jaar in ten minste twee lid-staten elk gemiddeld ten minste 150 werknemers en in de lid-staten samen gemiddeld ten minste 1000 werknemers heeft, tenzij zij behoort tot een communautaire groep;
d. een communautaire groep: het geheel van ondernemingen bestaande uit een moederonderneming als bedoeld in artikel 2 en de onderneming of ondernemingen waarover zij de zeggenschap uitoefent en waarvan:
1. ten minste twee ondernemingen in verschillende lid-staten zijn gevestigd en
2. sinds twee jaar ten minste een onderneming gemiddeld ten minste 150 werknemers in een lid-staat en een andere onderneming gemiddeld ten minste 150 werknemers in een andere lid-staat heeft en
3. alle ondernemingen tezamen sinds twee jaar gemiddeld ten minste 1000 werknemers in de lid-staten hebben;
e. hoofdbestuur: in het geval van een communautaire onderneming: het bestuur van deze onderneming; in het geval van een communautaire groep: het bestuur van de moederonderneming, bedoeld in artikel 2.
2. Indien een communautaire onderneming haar woonplaats of zetel buiten de lid-staten heeft, wordt als hoofdbestuur aangemerkt:
a. een daartoe door de communautaire onderneming aangewezen persoon, belast met de feitelijke leiding van een van haar vestigingen binnen een lid-staat, dan wel, bij gebreke van zodanige aanwijzing:
b. degene of degenen die zijn belast met de
feitelijke leiding van de vestiging die het grootste aantal
werknemers heeft in één lid-staat.
3. Indien de moederonderneming, bedoeld in artikel 2, haar woonplaats of zetel buiten de lid-staten heeft, kan zij als haar vertegenwoordiger aanwijzen het bestuur van een groepsonderneming met woonplaats of zetel binnen de lid-staten. Bij gebreke van zulk een aanwijzing wordt het bestuur van de groepsonderneming met woonplaats of zetel binnen de lid-staten die het grootste aantal werknemers heeft in één lid-staat, als zodanig aangemerkt.
4. Handelen of nalaten door het hoofdbestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e onderscheidenlijk het derde lid, wordt toegerekend aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die de communautaire onderneming of de moederonderneming onderscheidenlijk de in het derde lid bedoelde groepsonderneming in stand houdt.
Artikel 2
1. In deze wet wordt onder moederonderneming verstaan: de onderneming die binnen een communautaire groep direct of indirect een overheersende zeggenschap kan uitoefenen op een andere onderneming en die zelf geen onderneming is waarover door een andere onderneming direct of indirect een overheersende zeggenschap wordt uitgeoefend. Een onderneming wordt, tenzij het tegendeel blijkt, vermoed moederonderneming te zijn, indien zij:
a. meer dan de helft van de leden van het bestuursorgaan of van het leidinggevend dan wel toezichthoudend orgaan van de andere onderneming kan benoemen, of
b. meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van de andere onderneming kan uitoefenen of
c. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de andere onderneming verschaft.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder de rechten van de moederonderneming ten aanzien van het kapitaal, het stemrecht en de benoeming mede begrepen:
a. de overeenkomstige rechten van andere ondernemingen waarop zij overheersende zeggenschap uitoefent;
b. de overeenkomstige rechten van personen of organen die handelen onder eigen naam doch voor rekening van de moederonderneming of van een of meer van haar groepsondernemingen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden de rechten ten aanzien van het kapitaal en het stemrecht niet toegerekend aan een onderneming, indien zij deze voor rekening van anderen houdt.
4. Voor de toepassing van het eerste lid worden stemrechten, verbonden aan verpande aandelen, toegerekend aan de pandhouder, indien hij mag bepalen hoe de rechten worden uitgeoefend. Zijn de aandelen evenwel verpand voor een lening die de pandhouder heeft verstrekt in de gewone uitoefening van zijn bedrijf, dan worden de stemrechten hem slechts toegerekend, indien hij deze in eigen belang heeft uitgeoefend.
5. Geen moederonderneming is een onderneming als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onder a. of c. van Verordening (EEG) 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEG L 395).
6. Het recht dat op een onderneming van toepassing is, bepaalt of die onderneming een moederonderneming is als bedoeld in het eerste lid. Indien dat recht niet het recht van een lid-staat is, wordt dat bepaald door het recht dat van toepassing is op de groepsonderneming, waarvan het bestuur de moederonderneming vertegenwoordigt krachtens artikel 1, derde lid.
7. Indien meer ondernemingen van een groep aan een of meer criteria van het eerste lid voldoen,
a. wordt de onderneming die voldoet aan het criterium onder a) aangemerkt als moederonderneming, waarbij het benoemingsrecht met betrekking tot het leidinggevend orgaan voorrang heeft;
b. heeft, indien toepassing van onderdeel a niet leidt tot aanmerking van één onderneming als moederonderneming, het criterium onder b ) voorrang boven dat onder c );
een en ander onverminderd het bewijs dat een andere onderneming een overheersende invloed kan uitoefenen.
Artikel 3
1. In deze wet wordt, voor zover het in Nederland werkzame personen betreft, onder werknemer verstaan: degene die krachtens een arbeidsovereenkomst werkzaam is in de communautaire onderneming of de communautaire groep, en voor zover het in de overige lid-staten werkzame personen betreft: hetgeen het recht van die lid-staat daaronder verstaat.
2. Voor de toepassing van de artikelen 4, achtste lid, 7, 8, tweede lid, 11, zesde lid, en 19, zevende lid, wordt onder vertegenwoordigers van werknemers verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan krachtens het recht van de lid-staat waarin die werknemers werkzaam zijn; voor Nederland zijn dat ondernemingsraden.
Artikel 4
1. Ten aanzien van de in Nederland werkzame werknemers die lid zijn van een bijzondere onderhandelingsgroep of van een Europese ondernemingsraad dan wel optreden als vertegenwoordigers bij een andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging van werknemers, gelden het tweede tot en met het zevende lid.
2. Deze werknemers behouden hun aanspraak op loon voor de tijd gedurende welke zij niet de bedongen arbeid hebben verricht ten gevolge van het bijwonen van een vergadering van de bijzondere onderhandelingsgroep of van de Europese ondernemingsraad, dan wel van een vergadering in het kader van de andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging.
3. Voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van hun taak, wordt hun in werktijd en met behoud van loon de gelegenheid geboden tot onderling beraad en overleg met andere personen over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun functie zijn betrokken en om scholing en vorming te ontvangen.
4. Zij zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken- en bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede van alle aangelegenheden ten aanzien waarvan hun geheimhouding is opgelegd of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijke karakter moeten begrijpen. Deze verplichting geldt ook voor personen die een functie als bedoeld in het eerste lid vervullen zonder werknemer te zijn.
5. De verplichting tot geheimhouding geldt niet tegenover hem die wordt benaderd voor overleg of als deskundige als bedoeld in de artikelen 12 en 20, mits het hoofdbestuur of degene die de geheimhouding heeft opgelegd, vooraf daarvoor toestemming heeft gegeven en de betrokken persoon schriftelijk heeft verklaard dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien van de bedoelde persoon de geheimhoudingsplicht van toepassing.
6. De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van de in het eerste lid bedoelde functie, noch door beëindiging van de werkzaamheden van de betrokkene in de onderneming.
7. De werkgever draagt er zorg voor, dat degenen die kandidaat staan of gestaan hebben voor een functie als bedoeld in het eerste lid, alsmede degenen die deze functie vervullen of hebben vervuld, niet uit hoofde hiervan worden benadeeld in hun positie in de onderneming.
8. Iedere in Nederland werkzame werknemer of werknemersvertegenwoordiger kan van de werkgever verlangen dat deze hem een overzicht geeft van het aantal werknemers dat bij de communautaire onderneming of groep werkzaam is, alsmede van de verdeling van deze werknemers over de verschillende lid-staten.
9. De werkgever van een in Nederland werkzame werknemer die is aangewezen of gekozen als lid van een bijzondere onderhandelingsgroep of van een Europese ondernemingsraad doet van die verkiezing of aanwijzing mededeling aan het hoofdbestuur.
Artikel 5
1. Iedere belanghebbende kan de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam verzoeken te bepalen dat gevolg dient te worden gegeven aan hetgeen is bepaald bij deze wet, met uitzondering van artikel 4, voor zo ver het tweede lid niet anders bepaalt, of bij een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 11 of 24. Een bijzondere onderhandelingsgroep of de leden daarvan en een Europese ondernemingsraad, ingesteld krachtens deze wet, kunnen niet in de proceskosten van deze procedure worden veroordeeld.
2. De bijzondere onderhandelingsgroep of de leden daarvan en een Europese ondernemingsraad kunnen aan de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam verzoeken om:
a. krachtens artikel 4, vierde en vijfde lid, 11, zevende lid of 19, vijfde lid, opgelegde geheimhouding op te heffen op de grond dat degene die de geheimhouding heeft opgelegd bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het opleggen van geheimhouding had kunnen besluiten;
b. degene die informatie heeft geweigerd krachtens artikel 11, zevende lid, of 19, vijfde lid, te verplichten tot het verstrekken van informatie op de grond dat deze bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het weigeren van informatie had kunnen besluiten.
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 6
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een communautaire onderneming en een moederonderneming met woonplaats of zetel in Nederland.
2. Ingeval een communautaire onderneming of moederonderneming haar woonplaats of zetel buiten de lid-staten heeft, is dit hoofdstuk van toepassing, indien de in artikel 1, tweede en derde lid, bedoelde vestiging onderscheidenlijk groepsonderneming woonplaats of zetel heeft in Nederland.
Artikel 7
De communautaire onderneming of de moederonderneming is verplicht op verzoek van werknemers of werknemersvertegenwoordigers een overzicht te geven van het aantal werknemers dat bij de communautaire onderneming of de communautaire groep werkzaam is en de verdeling van deze werknemers over de verschillende lid-staten.
Paragraaf 2. Overeenkomsten omtrent
informatieverstrekking en raadpleging
Artikel 8
1. Het hoofdbestuur kan een bijzondere onderhandelingsgroep oprichten teneinde daarmee in onderhandeling te treden over een overeenkomst tot instelling van een Europese ondernemingsraad, al dan niet overeenkomstig paragraaf 3, of tot een regeling waarbij op een andere wijze wordt voorzien in het verstrekken van inlichtingen aan en het raadplegen van werknemers of hun vertegenwoordigers over grensoverschrijdende aangelegenheden.
2. Het hoofdbestuur is verplicht tot instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep als bedoeld in het eerste lid, indien van ten minste 100 werknemers of hun vertegenwoordigers afkomstig uit tenminste twee ondernemingen of vestigingen in ten minste twee verschillende lid-staten een schriftelijk verzoek daartoe is ontvangen. Indien een verzoek daartoe is ontvangen door een tot de communautaire onderneming of groep behorende vestiging of onderneming, draagt het hoofdbestuur er zorg voor dat het verzoek onverwijld naar hem wordt doorgezonden en dat van de doorzending mededeling wordt gedaan aan de verzoekers.
3. De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt, indien de bijzondere onderhandelingsgroep een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 11, tweede lid, niet gedurende twee jaar na het nemen van dat besluit, tenzij het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep anders zijn overeengekomen.
Artikel 9
1. De bijzondere onderhandelingsgroep bestaat uit één lid voor elke lid-staat waar werknemers van de communautaire onderneming of groep werkzaam zijn en één, twee, onderscheidenlijk drie aanvullende leden voor elke lid-staat waar ten minste een kwart, de helft, onderscheidenlijk driekwart van die werknemers werkzaam is.
2. Elk lid wordt gekozen of aangewezen overeenkomstig het recht van de lid-staat waarin hij werkzaam is.
3. De zetelverdeling wordt in overeenstemming gehouden met het eerste lid; indien dat er toe leidt dat het aantal aanvullende leden voor een lid-staat wijzigt zonder dat met betrekking tot de bezetting van die zetels een nieuwe verkiezing of aanwijzing heeft plaatsgevonden, hebben de voor die lid-staat zitting hebbende leden voor de toepassing van artikel 13 samen zoveel stemmen als overeenkomt met het aantal zetels dat voor die lid-staat krachtens het eerste lid is vastgesteld.
Artikel 10
1. Met betrekking tot de Nederlandse vestigingen en ondernemingen worden de leden van de bijzondere onderhandelingsgroep aangewezen, dan wel wordt hun aanwijzing ingetrokken, door de bij die vestigingen of ondernemingen ingestelde ondernemingsraden.
2. Indien met betrekking tot ondernemingsraden als bedoeld in het eerste lid een of meer centrale ondernemingsraden zijn ingesteld, geschiedt de aanwijzing of intrekking door die raad of raden.
3. Indien geen centrale ondernemingsraad is ingesteld, maar wel een of meer groepsondernemingsraden, geschiedt de aanwijzing of intrekking door die raad of raden.
4. Indien niet alle ondernemingsraden of groepsondernemingsraden zijn vertegenwoordigd in een centrale ondernemingsraad of groepsondernemingsraad, geschiedt de aanwijzing of intrekking door de centrale onderscheidenlijk groepsondernemingsraad of raden en de niet-vertegenwoordigde ondernemingsraden gezamenlijk.
5. Indien er geen enkele ondernemingsraad is ingesteld, worden de leden van de bijzondere onderhandelingsgroep gekozen door de gezamenlijke in Nederland werkzame werknemers van de communautaire onderneming of groep. De verkiezing geschiedt bij geheime schriftelijke stemming, waarbij elke werknemer één stem heeft. Ten behoeve van de verkiezing is een vereniging van werknemers, die bedoelde werknemers onder haar leden telt, krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig binnen de betrokken onderneming of groep werkzaam is en voorts in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid, bevoegd een kandidatenlijst in te dienen, mits zij met haar leden binnen de onderneming of groep over de samenstelling van de kandidatenlijst overleg heeft gepleegd.
6. Bij de toepassing van het eerste tot en met vierde lid worden werknemers van Nederlandse vestigingen of ondernemingen die niet in een ondernemingsraad, groepsondernemingsraad of centrale ondernemingsraad vertegenwoordigd zijn in de gelegenheid gesteld zich over de als lid van de bijzondere onderhandelingsgroep aan te wijzen personen uit te spreken.
7. Personen die behoren tot het varend personeel in de koopvaardij, kunnen niet als lid van een bijzondere onderhandelingsgroep worden aangewezen of verkozen.
Artikel 11
1. Na de oprichting van de bijzondere onderhandelingsgroep belegt het hoofdbestuur met deze een vergadering teneinde te onderhandelen over een overeenkomst als bedoeld in artikel 8, eerste lid. Het stelt de groep in de gelegenheid om bijeen te komen voordat deze vergadering plaatsvindt.
2. Zolang een overeenkomst als bedoeld in artikel 8, eerste lid, niet tot stand is gekomen, kan de bijzondere onderhandelingsgroep besluiten om geen onderhandelingen aan te gaan, dan wel reeds lopende onderhandelingen af te breken.
3. Indien het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep overeenkomen een Europese ondernemingsraad in te stellen, dan wordt bij overeenkomst tevens het reglement van de raad vastgesteld. Tenzij het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep anders overeenkomen, regelt het reglement tenminste de volgende aangelegenheden:
a. voor welke vestigingen of ondernemingen van de communautaire onderneming of groep de Europese ondernemingsraad is ingesteld;
b. de omvang en samenstelling van de raad en de zittingsduur van zijn leden;
c. het werkterrein en de bevoegdheden van de raad;
d. de wijze waarop de raad wordt ingelicht en geraadpleegd;
e. de frequentie, duur en plaats van de vergaderingen van de raad;
f. de financiële en materiële middelen waarover de raad kan beschikken.
4. Indien het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep een andere procedure van informatieverstrekking en raadpleging van werknemers of hun vertegenwoordigers dan de instelling van een Europese ondernemingsraad overeenkomen, wordt bij overeenkomst tevens vastgelegd op welke wijze dit zal gebeuren. Daarbij wordt tenminste voorzien in het navolgende:
a. voor welke vestigingen of ondernemingen van de communautaire onderneming of groep de procedure geldt;
b. hoe de werknemers of hun vertegenwoordigers worden ingelicht en geraadpleegd over grensoverschrijdende aangelegenheden die belangrijke gevolgen voor de werknemers hebben;
c. de wijze waarop de werknemers of hun vertegenwoordigers over de in onderdeel b bedoelde aangelegenheden kunnen vergaderen;
d. de financiële en materiële middelen die voor de uitvoering van de procedure ter beschikking worden gesteld.
5. Het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep kunnen overeenkomen dat voor delen van de communautaire onderneming of groep afzonderlijke Europese ondernemingsraden zullen worden ingesteld, dan wel afzonderlijke procedures zullen gelden. Eveneens kunnen zij overeenkomen dat voor een of meer delen van de communautaire onderneming of groep een of meer Europese ondernemingsraden worden ingesteld en voor andere delen een of meer procedures zullen gelden.
6. De overeenkomst tussen het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep houdt bepalingen in omtrent de duur van de overeenkomst, de wijze van onderhandelen over een nieuwe overeenkomst en de wijze waarop de overeenkomst wordt aangepast aan wijzigingen in de structuur of grootte van de communautaire onderneming of groep en in de aantallen werknemers die in de lid-staten werkzaam zijn. Indien deze bepalingen niet inhouden, dat werknemers of hun vertegenwoordigers van ondernemingen of vestigingen, die na het sluiten van de overeenkomst tot de communautaire onderneming of groep zijn gaan behoren, binnen twee jaar worden betrokken bij de vernieuwing of aanpassing daarvan dan wel niet binnen twee jaar worden vertegenwoordigd in de Europese ondernemingsraad of bij de andere procedure van informatieverstrekking en raadpleging, is het hoofdbestuur verplicht om een nieuw samengestelde bijzondere onderhandelingsgroep in te stellen indien tenminste 100 zodanige werknemers of hun vertegenwoordigers daarom verzoeken.
7. Het hoofdbestuur behoeft geen informatie te verstrekken, voor zover dat in redelijkheid het functioneren van de communautaire onderneming of de groep ernstig zou belemmeren dan wel schaden. Het hoofdbestuur kan terzake van de informatieverstrekking geheimhouding opleggen, indien daarvoor een redelijke grond bestaat; zoveel mogelijk vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid wordt meegedeeld, welke grond bestaat voor het opleggen van de geheimhouding, welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding vallen, hoelang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
8. Het hoofdbestuur staat in voor de naleving van rechten en verplichtingen, opgenomen in de overeenkomst.
Artikel 12
1. De bijzondere onderhandelingsgroep kan zich in de onderhandelingen doen bijstaan door een of meer deskundigen.
2. De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de bijzondere onderhandelingsgroep komen ten laste van de communautaire onderneming of de moederonderneming. Voor de kosten van het raadplegen van een of meer deskundigen of van het voeren van rechtsgedingen geldt dit slechts, indien de communautaire onderneming of de moederonderneming vooraf van de te maken kosten in kennis is gesteld.
Artikel 13
1. Ieder lid van de bijzondere onderhandelingsgroep heeft, onverminderd artikel 9, derde lid, één stem. De bijzondere onderhandelingsgroep besluit bij volstrekte meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen.
2. Een besluit als bedoeld in artikel 11, tweede lid, behoeft een meerderheid van twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
3. Een besluit tot het aangaan van een overeenkomst als bedoeld in artikel 11, eerste lid, behoeft tenminste zoveel stemmen als overeenkomt met de meerderheid van het aantal stemmen dat kan worden uitgebracht wanneer de bijzondere onderhandelingsgroep voltallig vergadert.
Artikel 14
Het hoofdbestuur draagt er zorg voor dat binnen de communautaire onderneming of groep de samenstelling van de bijzondere onderhandelingsgroep alsmede het tijdstip waarop een vergadering als bedoeld in artikel 11 zal worden gehouden, wordt bekendgemaakt.
Paragraaf 3. Subsidiaire bepalingen over
informatieverstrekking en raadpleging buiten overeenkomst
Artikel 15
Het hoofdbestuur is verplicht overeenkomstig deze paragraaf een Europese ondernemingsraad in te stellen indien:
a. het hoofdbestuur er blijk van heeft gegeven niet binnen zes maanden na de ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, te zullen onderhandelen met een bijzondere onderhandelingsgroep;
b. het hoofdbestuur en de bijzondere
onderhandelingsgroep geen overeenkomst als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, hebben gesloten binnen drie jaar na de ontvangst van een
verzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, dan wel, indien het
hoofdbestuur de bijzondere onderhandelingsgroep eigener beweging
heeft ingesteld, binnen drie jaar na de datum van de instelling,
tenzij een besluit als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van kracht
is.
Artikel 16
1. Indien de communautaire onderneming of groep minder dan 5000 werknemers heeft, bestaat de Europese ondernemingsraad uit één lid voor elke lid-staat waar de werknemers werkzaam zijn en één, twee, onderscheidenlijk drie aanvullende leden voor elke lid-staat waar ten minste een kwart, de helft, onderscheidenlijk driekwart van die werknemers werkzaam zijn.
2. Indien er 5000 of meer werknemers zijn, bestaat de Europese ondernemingsraad uit een lid voor elke lid-staat waar de werknemers werkzaam zijn en één, drie, zes, onderscheidenlijk negen aanvullende leden voor elke lid-staat waar tenminste een tiende, een kwart, de helft, onderscheidenlijk driekwart van die werknemers werkzaam zijn.
3. Elk lid wordt gekozen of aangewezen overeenkomstig het recht van de lid-staat waar hij werkzaam is.
4. De zetelverdeling wordt in overeenstemming gehouden met het eerste en tweede lid; indien dat er toe leidt dat het aantal aanvullende leden voor een lid-staat wijzigt zonder dat met betrekking tot de bezetting van die zetels een nieuwe verkiezing of aanwijzing heeft plaatsgevonden, hebben de voor die lid-staat zitting hebbende leden, voor de toepassing van de relevante bepalingen inzake de stemverhoudingen binnen de Europese ondernemingsraad, samen zoveel stemmen als overeenkomt met het aantal zetels dat voor die lid-staat krachtens het eerste en tweede lid is vastgesteld.
Artikel 17
1. Met betrekking tot de Nederlandse vestigingen en ondernemingen worden de leden van de Europese ondernemingsraad aangewezen of verkozen, dan wel wordt hun aanwijzing ingetrokken, overeenkomstig artikel 10, met dien verstande dat die leden zitting hebben voor de duur van vier jaren.
2. Alleen werknemers van de communautaire onderneming of groep kunnen als lid worden aangewezen of verkozen. Het lidmaatschap eindigt van rechtswege wanneer het lid ophoudt werknemer te zijn. Personen die behoren tot het varend personeel in de koopvaardij, kunnen niet als lid worden aangewezen of verkozen.
Artikel 18
1. De Europese ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering de plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de Europese ondernemingsraad in rechte.
2. De Europese ondernemingsraad kan uit zijn midden een beperkt comité bestaande uit ten hoogste drie leden kiezen.
3. De Europese ondernemingsraad stelt een reglement van orde vast. Alvorens het reglement wordt vastgesteld wordt het hoofdbestuur in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Indien een beperkt comité is gekozen regelt het reglement de bevoegdheden daarvan.
Artikel 19
1. De bevoegdheid van de Europese ondernemingsraad is beperkt tot informatieverschaffing en raadpleging over de vraagstukken die van belang zijn voor de hele onderneming met een communautaire dimensie of de hele groep met een communautaire dimensie, of voor ten minste twee vestigingen of ondernemingen van de groep in verschillende lid-staten. Die bevoegdheid is beperkt tot de aangelegenheden die van belang zijn voor alle vestigingen of alle ondernemingen van het concern in de lid-staten dan wel voor ten minste twee van de vestigingen of ondernemingen van het concern in verschillende lid-staten.
2. Het hoofdbestuur en de Europese ondernemingsraad komen ten minste één maal per kalenderjaar in vergadering bijeen. In de vergadering wordt de Europese ondernemingsraad aan de hand van een door het hoofdbestuur opgesteld schriftelijk rapport geïnformeerd en geraadpleegd over de ontwikkeling van de werkzaamheden en de vooruitzichten van de communautaire onderneming of groep. De informatie en raadpleging betreft in het bijzonder de structuur van de communautaire onderneming of groep, de financieel-economische positie, de vermoedelijke ontwikkeling van de activiteiten, produktie en afzet, de investeringen, wezenlijke veranderingen in de organisatie, de invoering van een nieuwe arbeids- of produktiewijze, de zorg voor het milieu, fusie, verplaatsing, inkrimping of sluiting van ondernemingen, vestigingen of belangrijke onderdelen daarvan, de stand en de ontwikkeling van de werkgelegenheid en collectief ontslag.
3. Het hoofdbestuur licht zo spoedig mogelijk de Europese ondernemingsraad of het beperkte comité in over alle bijzondere omstandigheden en voorgenomen besluiten die aanzienlijke gevolgen hebben voor de belangen van de werknemers van tenminste twee vestigingen of ondernemingen van de communautaire onderneming of groep in verschillende lid-staten, in het bijzonder betreffende verplaatsing of sluiting van vestigingen of collectief ontslag.
4. Indien de Europese ondernemingsraad of het beperkte comité dat verzoekt, komt deze met het hoofdbestuur of een ander geschikter bestuursniveau binnen de communautaire onderneming of groep met een eigen beslissingsbevoegdheid inzake de te behandelen onderwerpen in vergadering bijeen, om aan de hand van een door de communautaire onderneming of groep opgesteld schriftelijk rapport over de in het derde lid genoemde omstandigheden nader te worden geïnformeerd en geraadpleegd. Deze vergadering vindt plaats op een zodanig tijdstip dat die informatie en raadpleging nog zinvol is. Over het rapport kan na afloop van de vergadering of binnen een redelijke termijn na de vergadering een advies door de Europese ondernemingsraad of het beperkte comité worden uitgebracht. Voor een vergadering met het beperkte comité worden mede uitgenodigd de leden van de Europese ondernemingsraad die mede gekozen zijn door de werknemers van de vestigingen of ondernemingen die door de maatregelen rechtstreeks worden geraakt. De vergadering doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van het hoofdbestuur.
5. Het hoofdbestuur behoeft geen informatie te verstrekken, voor zover dat in redelijkheid het functioneren van de communautaire onderneming of groep ernstig zou belemmeren dan wel schaden. Het hoofdbestuur kan terzake van de informatieverstrekking geheimhouding opleggen, indien daarvoor een redelijke grond bestaat; zoveel mogelijk vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid wordt meegedeeld, welke grond bestaat voor het opleggen van de geheimhouding, welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding vallen, hoelang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
6. De Europese ondernemingsraad of het beperkte comité is gerechtigd om voor elke vergadering met het hoofdbestuur te vergaderen zonder dat laatstbedoelde daarbij aanwezig is. De vierde volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
7. Onverminderd enige op hen rustende verplichting tot geheimhouding informeren de leden van de Europese ondernemingsraad de werknemersvertegenwoordigers binnen de communautaire onderneming of groep, of, bij afwezigheid van werknemersvertegenwoordigers, alle werknemers over de inhoud en de resultaten van de informatie- en raadplegingsprocedure die overeenkomstig deze paragraaf heeft plaatsgevonden.
8. Het voorzitterschap van een bijeenkomst als bedoeld in het tweede of vierde lid wordt, tenzij anders wordt afgesproken, afwisselend bekleed door het hoofdbestuur en de Europese ondernemingsraad.
Artikel 20
1. De Europese ondernemingsraad en het beperkt comité kunnen zich doen bijstaan door deskundigen van hun keuze voor zover dit voor het verrichten van hun taken noodzakelijk is.
2. De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de Europese ondernemingsraad en het beperkt comité komen ten laste van de communautaire onderneming of de moederonderneming. De verplichting tot het dragen van de kosten van door de Europese ondernemingsraad ingeschakelde deskundigen beperkt zich tot één deskundige per agendaonderwerp, tenzij de Europese ondernemingsraad en de communautaire onderneming of de moederonderneming anders overeenkomen.
3. De eerste volzin van het tweede lid is eveneens van toepassing op het voeren van rechtsgedingen, echter onder de voorwaarde dat de communautaire onderneming of de moederonderneming vooraf van de te maken kosten in kennis is gesteld.
Artikel 21
1. Uiterlijk vier jaar na zijn instelling besluit de Europese ondernemingsraad, al dan niet op voorstel van het hoofdbestuur, of het wenselijk is met het hoofdbestuur in onderhandeling te treden over het sluiten van een overeenkomst als bedoeld in artikel 11, eerste lid.
2. De artikelen 11, derde tot en met zesde lid, en 13, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Europese ondernemingsraad hierbij in de plaats treedt van de bijzondere onderhandelingsgroep.
Artikel 22
Het hoofdbestuur draagt er zorg voor dat binnen de communautaire onderneming of groep de samenstelling van de Europese ondernemingsraad alsmede het tijdstip waarop een vergadering als bedoeld in artikel 19 zal worden gehouden, wordt bekendgemaakt.
Artikel 23
Indien ter uitvoering van de richtlijn in een andere lid-staat dan Nederland bij een communautaire onderneming of groep een bijzondere onderhandelingsgroep dan wel een Europese ondernemingsraad als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn wordt ingesteld, zijn op de Nederlandse vestigingen of ondernemingen van die communautaire onderneming of groep de artikelen 10 en 17 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
1. Deze wet is, behoudens artikel 5, niet van toepassing ten aanzien van een communautaire onderneming of groep die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet partij is bij een of meer in werking getreden overeenkomsten, die voorzien in een regeling terzake van informatieverstrekking aan en raadpleging van de werknemers over grensoverschrijdende aangelegenheden, en gesloten zijn met een werknemersvertegenwoordiging die de communautaire onderneming of groep redelijkerwijs representatief mocht achten voor de werknemers uit de betrokken lid-staten.
2. Indien deze overeenkomsten niet inhouden of binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet gaan inhouden, dat werknemers of hun vertegenwoordigers van ondernemingen of vestigingen, die na het sluiten van de overeenkomsten tot de communautaire onderneming of groep zijn gaan behoren, binnen die termijn worden betrokken bij de vernieuwing of aanpassing daarvan dan wel worden vertegenwoordigd in de afgesproken procedure van informatie en raadpleging, wordt deze wet na die termijn op de betrokken communautaire onderneming of groep van toepassing.
3. Artikel 11, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een communautaire onderneming of groep, die met ingang van 15 december 1999 onder de werking van deze wet zou komen te vallen uitsluitend als gevolg van het gaan gelden van de richtlijn voor het Verenigd Koninkrijk, maar die op die datum partij is bij een of meer in werking getreden overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 25
1. Voor de toepassing van artikel 9 behoeft slechts rekening te worden gehouden met die lid-staten, waar de communautaire onderneming of groep werknemers heeft en waarvan de wetgeving ter uitvoering van de richtlijn in werking is getreden.
2. Indien een overeenkomst als bedoeld in artikel 11 niet een bepaling bevat, dat werknemers of hun vertegenwoordigers van ondernemingen of vestigingen van de communautaire onderneming of groep in lid-staten, waarmee overeenkomstig het eerste lid geen rekening is gehouden bij de samenstelling van de bijzondere onderhandelingsgroep, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de wetgeving van die lid-staat ter uitvoering van de richtlijn worden betrokken bij de vernieuwing of aanpassing van die overeenkomst dan wel binnen die termijn worden vertegenwoordigd in de Europese ondernemingsraad of bij de andere procedure van inlichting en raadpleging, wordt die overeenkomst herzien met inachtneming van artikel 9.
Artikel 26
[Wijzigt de Arbeidstijdenwet.]
Artikel 27
Deze wet treedt in werking met ingang van 22 september 1996. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst wordt uitgegeven na 21 september 1996, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 28
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Europese ondernemingsraden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 23 januari 1997
Beatrix
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. P. W. Melkert
Uitgegeven de vierde februari 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De WOR
De instelling van ondernemingsraden
Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
Het overleg met de ondernemingsraad
Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
Verdere bevoegdheden van de ondernemingsraad
De centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden
De medezeggenschap in kleine ondernemingen
De algemene geschillenregeling
Heffingen ter bevordering van de scholing en vorming van ondernemingsraadleden
Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid
De WEOR