De organisatie
De gemeenschappelijke ambitie
Het bestaansrecht van een organisatie wordt uitgedrukt in één missie.
De missie
geldt voor de hele organisatie. De visie geeft het toekomstbeeld
aan en kan op organisatieonderdeel
verschillend zijn. De missie en visie samen vormen de
gemeenschappelijke ambitie. Om de ambitie te verwezenlijken worden
meetbare doelen gesteld. De strategie van de organisatie geeft aan
hoe deze doelen bereikt worden.
De gemeenschappelijke ambitie wordt daarom ook wel de motor van het lerend
vermogen van de organisatie genoemd.
Up
Competenties
Aan de hand van een duidelijke gemeenschappelijke ambitie,
gestelde doelen en een strategie kan een organisatie voor de
verschillende organisatieonderdelen gaan analyseren welke kennis
aanwezig is, resp. nodig is om de doelen te verwezenlijken.
Kennis of competentie op zich is een subjectief begrip. Objectief is
het onderscheidend gedrag dat iemand laat zien die competent is: een
succesvolle en meetbare prestatie leveren.
Up
Personeelsontwikkelingsbeleid
Een leer- en ontwikkelingsbeleid is gericht op een cyclisch
proces van duurzame gedragsveranderingen en schept de voorwaarden
waarbinnen dit mogelijk wordt gemaakt. Een goed leer- en
ontwikkelklimaat in de organisatie is een van die voorwaarden.
| Leren |
u |
Kennis delen en
combineren |
|
p |
|
q |
|
Veranderen |
t |
Innoveren |
De
vier strategische functies van kennisontwikkeling
(Mathieu Weggeman)
Het ontwikkelen van kennis wordt vaak
geassocieerd met
het volgen van
een opleiding of een cursus. Een goede vooropleiding is essentieel
voor de elementaire basiskennis van een specifiek beroep.
Kennisontwikkeling is echter
ook:
- kennis beschikbaar stellen voor iedereen
- de juiste groepen samenstellen om met en van elkaar te leren
- mensen de gelegenheid geven om te leren
- weten waar je iets kunt vinden
- fouten mogen maken
Up
De organisatiestructuur
Met de structuur van een organisatie wordt
bedoeld hoe de organisatie is ingericht. Het zal duidelijk zijn dat
de inrichting van een organisatie sterk afhangt van de doelstelling, de omvang
en vooral ook van de gemeenschappelijke
ambitie, maar in feite is structuur aanbrengen niets anders
dan het (her)groeperen van verantwoordelijkheden.
Geen enkele organisatie heeft één typische structuur. Vaak is het
een mix van verschillende structuren en zijn deze structuren veel
complexer dan vaak wordt verondersteld.
Een vijftal karakteristieken zijn door Henry Mintzberg getypeerd:
- De simpele organisatie
Het betreft een kleine en doorgaans een jonge organisatie
waarbinnen de werkzaamheden worden gecoördineerd door het geven
van directe leiding. Centraal staat meestal één leidinggevende
die de belangrijkste beslissingsbevoegdheden heeft en natuurlijk
de grootste verantwoordelijkheid draagt. Door het ontbreken van
veel hiërarchische lagen wordt de organisatie een platte
organisatie genoemd. Deze indeling is mogelijk omdat de
leidinggevende gewoonlijk aan een grote groep medewerkers
leiding geeft die mogelijk niet eens formeel in afdelingen zijn
gegroepeerd. De organisatie is informeel en flexibel doordat
formalisatie en standaardisatie van werkzaamheden slechts op
beperkt schaal gebruikt worden.
Deze organisatie past bij een simpele omgeving (door één persoon
te begrijpen), een omgeving die bovendien als dynamisch is te
typeren (er doen zich (veel) veranderingen in de omgeving voor,
die de organisatie niet goed kan voorspellen). Een verandering
in de omgeving wordt geanalyseerd door de top van de organisatie
die vervolgens snel over kan gaan tot het aanbrengen van
wijzigingen in de organisatie. De kracht van veel van deze
kleine gecentraliseerde organisaties is de mogelijkheid tot
verrassingsmanagement, dat wil zeggen het vermogen om snel op
bedreigingen en mogelijkheden in te kunnen spelen.
- De bureaucratische organisatie
Deze doorgaans grote en oude organisaties hebben de
werkzaamheden vergaand opgesplitst door differentiatie en
specialisatie. Dit versnipperde geheel aan werkzaamheden wordt
gecoördineerd door het standaardiseren van werkzaamheden waarmee
de organisatie een efficiënte productie beoogt.
Een dergelijke starre organisatie past bij een simpele en
stabiele omgeving. Hoewel een bureaucratie een negatieve klank
heeft is dit type organisatie in bepaalde omstandigheden toch
gewenst. Deze organisatie brengt mogelijk efficiëntie en eenheid
met zich mee. Zo kan er gekomen worden tot een gelijke
behandeling van grote groepen burgers door de overheid. Een
afwijkende behandeling is bij voorbaat uitgesloten, wat in
individuele gevallen grote weerstand kan oproepen.
- De professionele organisatie
De kern van deze organisatie bestaat uit medewerkers die goed
opgeleide professionals zijn. Het werk dat zij verrichten is
complex en de uitkomsten zijn steeds anders. Door de
complexiteit van de organisatie is er een noodzaak om deze
professionals veel beslissingsbevoegdheid en bijbehorende
verantwoordelijkheid te geven. Er is daarom sprake van een
gedecentraliseerde organisatie. De professionals hebben hun
eigen vakgebied waarop zij gespecialiseerd zijn.
Het standaardiseren van het werk en uitkomsten van het werk is
niet goed mogelijk gezien de complexiteit en het onvoorspelbare
karakter van het werk dat uitgevoerd wordt. Daarom gebruikt de
organisatie standaardisatie van capaciteiten en gedrag door
eisen te stellen aan de kennis en kunde en het handelen van de
professionals. Denk hierbij aan toelatingseisen en gedragscodes
voor doctoren in ziekenhuizen.
- De divisie organisatie
De organisatie is opgedeeld in divisies en de leiding binnen
deze eenheden zijn de spil binnen de organisatie. Iedere divisie
dient een bepaalde markt en is een min of meer zelfstandige
organisatie met een eigen karakteristieke organisatiestructuur.
De top van de organisatie bepaalt voor (of samen met) de leiding
van de divisies, wat de resultaten zijn die zij van de
verschillende divisies verwachten. Mede hierdoor zal er binnen
de divisies de neiging bestaan om de organisatie strak te
leiden, opdat de gewenste uitkomsten worden behaald. De leiding
zal mogelijk gebruik maken van standaardisatie, differentiatie
en specialisatie waardoor de divisie de karaktertrekken van een
bureaucratie gaat vertonen.
-
De organische organisatie
Hier gaat het om een jonge organisatie die te maken heeft met
een complexe en dynamische omgeving. Deze omgeving is derhalve
moeilijk te bevatten en verandert vaak onvoorspelbaar. Om snel
op veranderingen in te spelen zijn er teams nodig die goed
kunnen samenwerken en beschikken over de nodige
beslissingsbevoegdheid, verantwoordelijkheid en middelen.
De organisatie is te karakteriseren als een gedecentraliseerde
organisatie, met weinig hiërarchische lagen, dus een platte
organisatie. Zij is marktgericht ingedeeld en zij heeft
doorgaans weinig mogelijkheden om over te gaan tot
standaardisatie van werkzaamheden en uitkomsten.
Up De lerende organisatie
Een zesde karakteristiek is de lerende organisatie.
Een lerende organisatie is een organisatie die altijd in beweging
blijft. Deze voortdurende ontwikkeling vindt plaats doordat de
organisatie blijft leren van haar omgeving, van zichzelf en de wijze
waarop zij leert. Dit zou moeten leiden tot het optimaal benutten
van de capaciteiten van de organisatie en de kansen in de markt.
Bij een dergelijke lerende organisatie wordt in het bijzonder
gedacht aan gedecentraliseerde organisaties, met
participatiemogelijkheden, voor zover bepaalde beslissingen nog
centraal worden genomen. Het lerend vermogen van de organisatie is
beperkt, wanneer een kleine groep bepaalt wat de rest moet doen. De
organisatie als geheel zal dan weinig leren. Het leerproces gaat dus
een ieder aan, van de top tot de werkvloer, waarbij "leren" ziet op
ervaring opdoen tijdens en bij de werkzaamheden en niet zo zeer aan
het volgen van door de top voorgeschreven opleidingen.
De lerende organisatie is voortdurend bezig met het doorlopen van
het leerproces (de leercyclus van Kolb). Dit proces kent de volgende
fases; denken - beslissen - doen - bezinnen ...... denken -
beslissen - doen - bezinnen ... etc. Op beleidsmatig niveau kan dit
als volgt voorgesteld worden: het denken leidt tot een strategie
(beslissing) die omgezet worden in acties (doen), waarna de
uitkomsten worden geëvalueerd (bezinnen) en er mogelijk
veranderingen plaatsvinden (denken). Een organisatie moet er voor
zorgen dat zij dit leerproces volledig en optimaal doorloopt,
oftewel zij moet leren te leren. Zij moet voorkomen dat slechts
verschillende onderdelen van de organisatie zicht hebben op delen
van het leerproces.
Het verbeteren van dit lerend vermogen van een organisatie is een
lastig en tijdrovend proces, aangezien het betekent dat
organisatieleden moeten veranderen. Zij moeten meedenken, fouten
durven te bespreken en zij dienen hun eigen handelen en het handelen
van anderen kritisch te bekijken. Daarbij komt dat een lerende
organisatie streeft naar verbetering. Dit impliceert verandering
terwijl de mens eerder streeft naar duurzaamheid en stabiliteit.
Verandering vraagt bovendien een zekere mate van zelfkennis.
Daarnaast moet er een bereidheid zijn om het oude te ruilen voor het
nieuwe, waarbij het geloof in de vernieuwing dusdanig sterk is dat
de onzekerheden die daarbij horen geaccepteerd worden.
Bron de organisatiestructuur en de lerende organisatie:
http://www.arbeidsrechter.nl
Up
De organisatiecultuur
'Er moet een cultuuromslag komen!'
Deze uitdrukking heeft u vast wel eens gehoord, maar wat bedoelt
men daar nu mee?
Een organisatiecultuur is eigenlijk de persoonlijkheid van de
organisatie, vergelijkbaar met die van een individu.
Deze persoonlijkheid heeft een aantal kenmerken zoals:
- innovatief en risico's nemend
- resultaatgericht
- gericht op mensen
- gericht op teams
- agressief en competitief
- stabiel
Binnen een organisatie kunnen meerdere subculturen bestaan.
Deze kunnen zijn ontstaan op basis van bepaalde problemen,
situaties of ervaringen van fysiek gescheiden afdelingen.
De cultuur is vaak diepgeworteld in de organisatie en wordt in
stand gehouden door:
- werving en selectie van personeel
- acties van het topmanagement
- socialisatie
- overdracht via verhalen, rituelen e.d.
Up
De organisatiecultuur in een dynamische
omgeving
De cultuur is belangrijk voor de medewerkers
omdat deze de betrokkenheid en saamhorigheid vergroot. Toch kan
de organisatiecultuur een belemmering zijn als deze niet strookt
met de behoefte aan veranderingen, bijvoorbeeld indien
flexibiliteit nodig is in een stabiele omgeving.
Het ontwikkelen van een organisatiecultuur kost tijd; het
veranderen kost ook veel tijd.
Hoe sterker en dominanter de cultuur is, des te groter het
probleem. Een grote crisis of het vervangen van het
topmanagement zijn dan bijna de enige opties.
Up
Wat is goed leiderschap en is dit van belang?
Theorieën zijn er genoeg over dit onderwerp.
Maar al deze theorieën hebben één ding gemeen: ze gelden niet
onder alle omstandigheden.
Charismatische leiders - die uitstekend functioneren in
een crisis - komen soms minder goed uit de verf
onder
stabiele omstandigheden, om maar eens een voorbeeld te noemen.
Goed leiderschap hangt niet alleen af van iemands
persoonskenmerken, maar ook van de mensen aan wie leiding wordt
gegeven en van de omstandigheden waaronder leiding wordt gegeven.
In moderne organisaties wordt leiderschap vaak - overigens zeer
terecht - geassocieerd met vertrouwen. De volgende
gedragskenmerken zijn noodzakelijk om vertrouwen op te bouwen en
in stand te houden:
- openheid (duidelijk en openhartig)
- rechtvaardigheid (eer wie eer toekomt, objectief en
onpartijdig, billijke beloningen)
- sensibiliteit (de gevoelens tonen en niet alleen harde
feiten vertellen)
- integriteit (de waarheid vertellen)
- consequentheid (voorspelbaarheid, de tijd nemen om na te
denken over persoonlijke waarden en opvattingen)
- betrouwbaarheid (de beloften nakomen en dingen geheim
kunnen houden)
- competenties
tonen (professionaliteit tonen, vooral op het gebeid van
communicatie, onderhandelen en gesprekstechniek)
Onder sommige omstandigheden is goed leiderschap van
ondergeschikt belang en kan soms zelfs geheel ontbreken:
- indien er sprake is van een grote mate van autonomie
- indien er sprake is van een grote mate van
professionaliteit of routine
- indien er sprake is van duidelijke doelen, regels en
procedures
- indien er sprake is van veel bevrediging in het werk.
Up
Motivatietheorieën en
toepassingen
Motivatie is een belangrijke
drijfveer om iets te doen en uit zich in activiteit en spanning.
De meest succesvolle prestaties worden geleverd door mensen die
hard werken om een bepaald doel te verwezenlijken. Hierbij zijn
zowel aanleg als motivatie belangrijke factoren.
Hieronder volgen enkele motivatietheorieën
die door wetenschappelijk onderzoek zijn onderbouwd. Deze
theorieën zijn ontwikkeld door Amerikanen en gaan over
Amerikanen. Nederlanders vinden bijvoorbeeld levenskwaliteit
veel belangrijker dan levenskwantiteit en zullen meer motivatie
putten uit bijvoorbeeld de sociale aspecten van werken.
Desondanks kunnen we er veel van leren, temeer ook daar de
Angelsaksische cultuur sterk aanwezig is bij talloze industriële
organisaties in Nederland.
- De behoeftentheorie (David McClelland)
Sommige mensen hebben een sterke prestatiedrang. Ze hechten
waarde aan persoonlijke voldoening en niet zozeer aan de
beloningen van succes. Als bij deze mensen de kans op succes
ongeveer 50% is, presteren zij het beste.
- Macht
Mensen met behoefte aan macht vinden effectieve
prestaties minder belangrijk dan hun prestige en invloed op
anderen.
- Affiliatie
Mensen met veel behoefte aan affiliatie vinden
samenwerking met en respect van anderen belangrijker dan
competitie.
- De doelstellingstheorie
Deze theorie stelt dat concrete doelen - in
het algemeen - een krachtige vorm van motivatie kunnen zijn.
Participatie van de werknemer in het bepalen van de doelen
vergroot de aanvaarding. Zijn capaciteiten en aanvaarding
constant, dan zijn de prestaties vaak beter naarmate de doelen
moeilijker worden.
Een toepassing in de praktijk is bijv. een Management by
objectives (MBO) programma, waarbij
vier elementen belangrijk zijn:
- concrete doelen
- besluitvorming door management en
werknemers gezamenlijk
- expliciete deadline en
- feedback over de prestaties.
-
De bekrachtigingstheorie
Deze theorie is gebaseerd op de wet van het
effect: gedrag is een functie van de gevolgen ervan. Uit
onderzoek blijkt dat mensen zich meer inspannen voor taken die
bekrachtigd worden, dus gevolgen hebben.
Enkele toepassingen in de praktijk zijn OG Mod (Organisatiegedrag
modificatie) en programma's voor erkenning van werknemers.
De vier stappen van een OG Mod programma zijn:
- probleemgedrag definiëren
- gedrag meten
- functionele analyse: consequenties van
de prestaties opsporen
- interventiestrategie ontwikkelen.
Erkenningsprogramma's zijn er in talloze
vormen: het uitreiken van Awards aan individuen of
groepen werknemers of het uitreiken van bioscoopkaartjes of een
kleine geldelijke beloning aan groepen werknemers die een
bijzondere prestatie hebben geleverd.
N.B.: Erkenning wordt door veel werknemers
als de meest motiverende factor op het werk genoemd. Ook een
welgemeend compliment of een feestje om een succes te vieren,
zijn vormen van erkenning!
- De rechtvaardigingstheorie
Deze theorie stelt dat mensen
in een werksituatie hun input
afwegen tegen de output en deze vervolgens vergelijken
met die van anderen. Deze vergelijking gaat niet alleen op voor
de beloning in geld. Als deze vergelijking onrechtvaardig en
onbillijk wordt gevonden, ontstaat er een spanningsveld. Men zal
trachten de situatie te veranderen, hetgeen ook kan betekenen
dat de input wordt veranderd. Men
kan zelfs besluiten om een andere baan te zoeken.
-
De verwachtingstheorie
Deze theorie stelt dat de
mate waarin iemand geneigd is om op een bepaalde manier te
handelen afhankelijk is van de kracht van een verwachting: welke
uitkomsten biedt de baan, hoe aantrekkelijk zijn deze uitkomsten,
welk gedrag moet vertoond worden om dit te bereiken en hoe groot
zijn de kansen.
Een toepassing in de praktijk is het toekennen van variabele
beloningen, zoals bonussen, regelingen voor winstuitkering en gainsharing (beloningen op basis van groepsproductiviteit)
Up
Programma's voor
betrokkenheid
Naast de hierboven vermelde
motivatietheorieën en de toepassingen in de praktijk zijn er
diverse programma's om de betrokkenheid van werknemers te
vergroten.
Door werknemers te betrekken bij besluitvorming en zeggenschap
over het werk te geven zullen ze gemotiveerder en productiever
zijn, zich meer inzetten voor de organisatie en meer voldoening
in hun werk vinden.
In een aantal West-Europese landen is het principe van
democratie in het bedrijfsleven ingeburgerd. Bij de
Noord-Amerikaanse organisaties heeft dit veel langer geduurd,
maar tegenwoordig zijn programma's die participatie benadrukken
de norm geworden.
Enkele voorbeelden van
participatieprogramma's zijn:
- Participerend management
Dit zijn programma's waarbij werknemers in belangrijke
mate delen in de beslissingsmacht van hun directe
superieuren. Voorwaarden hierbij zijn wel dat de kwesties
waarbij de werknemers betrokken worden relevant voor hen
zijn, dat de werknemers over bepaalde capaciteiten
beschikken (intelligentie, technische kennis, communicatieve
vaardigheden) en dat de organisatiecultuur betrokkenheid
ondersteunt.
- Representatieve participatie
Het doel hiervan is om een andere
verdeling van de macht binnen de organisatie te
bewerkstelligen, waarbij het personeel een even belangrijke
groep wordt als het management of de aandeelhouders.
In vrijwel alle West-Europese landen is representatieve
participatie wettelijk voorgeschreven. In de praktijk krijgt
dit vorm door ondernemingsraden (bijv. in Nederland) en
vertegenwoordigers in het bestuur (in sommige landen
verplicht bij grote bedrijven).
- Kwaliteitskringen
Dit zijn werkgroepen van acht tot
tien werknemers en directe superieuren die werkzaam zijn
binnen hetzelfde verantwoordelijkheidsgebied. Op regelmatige
tijden komen zij bijeen om problemen met de kwaliteit te
bespreken, oorzaken te analyseren, oplossingen te vinden en
maatregelen te treffen. Ze zijn goed getraind, nemen
verantwoordelijkheid en dragen zorg voor hun eigen
feedback.
Kwaliteitskringen zijn successievelijk vervangen door
meeromvattende teambenadering.
- Aandelenbezit van werknemers
Dit zijn programma's waarbij
aandelenbezit in het eigen bedrijf onderdeel uitmaakt van de
arbeidsvoorwaarden van werknemers.
Up Conflicten
Het begrip conflict is subjectief omdat elk mens een andere
beeldvorming van een conflict heeft. Er is sprake van een
conflictsituatie indien iemand doelbewust een ander belemmert om
diens doelen te bereiken of diens belangen te behartigen.
Over de rol van conflicten in groepen en organisaties zijn
verschillende opvattingen:
- De traditionele visie
Deze benadering gaat ervan uit dat conflicten vermeden
moeten worden omdat ze het functioneren van de groep
verstoren.
- De HRM-benadering
De HRM-beweging meent dat conflicten een natuurlijk,
onvermijdelijk gegeven in elke groep zijn en zelfs zinvol
voor de groepsprestaties.
- Het interactionisme
Deze moderne benadering maakt onderscheid tussen
functionele conflicten en disfunctionele conflicten. Wat nu
precies functioneel of disfunctioneel is, valt af te leiden
van de uitingen van het groepsgedrag (de prestaties).
Up Het conflictproces
Fase 1.
Potentiële
tegenstand |
Fase 2.
Bewustwording en personalisatie |
Fase 3.
Gedrag |
Fase 4.
Uitkomsten |
|
Voorafgaande condities: communicatie
structuur
persoonlijke variabelen
|
u |
Waarnemen
conflict |
u |
Openlijk conflict |
u |
Functionele uitkomsten |
Ervaren
conflict |
Disfunctionele uitkomsten |
| |
|
|
|
p
|
|
|
|
| |
|
|
|
Gedrag om
conflicten te hanteren:competitie
samenwerking
aanpassing
vermijding
compromis
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
Fase 1. Potentiële tegenstand
In de eerste fase van het conflictproces moeten er condities (oorzaken)
zijn die conflicten mogelijk maken. Er zijn drie categorieën
oorzaken te noemen:
- Communicatie
Slechte communicatie op zichzelf roept geen conflicten op, maar
belemmert de samenwerking en bevordert misverstanden.
Het is het communicatieproces (de overdracht van betekenis,
met misverstanden en ruis in de communicatie) dat een bron van
conflicten kan zijn door verschillen in opleiding, selectieve
perceptie en onvoldoende informatie over anderen. Ook te veel of te
weinig communicatie, het filteren van informatie en het gebruik van
andere communicatiekanalen, kunnen de grondslag voor een conflict
zijn.
-
Structuur
Met structuur bedoelt men in dit verband groepsgerelateerde
factoren. Uit onderzoek blijken de volgende factoren de kans op
conflicten de vergroten:
-
grote groepen met specialistische werkzaamheden
- jonge groepsleden en een hoog verloop
- een dominante leiderschapsstijl
- een te sterke participatie die meningsverschillen bevordert
- onrechtvaardige beloningssystemen
- de mate van afhankelijkheid tussen groepen
- Persoonlijke variabelen
Mensen zijn er in alle soorten en maten. De belangrijkste
persoonlijkheidstypen die conflicten oproepen zijn autoritaire,
dogmatische individuen met weinig eigenwaarde. De belangrijkste
factor bij sociale conflicten is het waardesysteem; dat is wat een
individu van waarden als vrijheid, plezier, hard werken, zelfrespect,
eerlijkheid, gehoorzaamheid en gelijkheid vindt. De
sociaal-maatschappelijke en culturele achtergrond van iemand spelen
hierbij ook een rol.
Fase 2. Bewustwording en personalisatie
Bij de tweede fase van het conflictproces worden de oorzaken
waargenomen en ervaren. Men raakt er emotioneel en persoonlijk bij
betrokken. Hierdoor ontstaan spanningen, vijandigheid, frustraties
en angstgevoelens.
Fase 3. Openlijk conflict en conflicthantering
In de derde fase worden er acties ondernomen. Deze acties kunnen
heel subtiel zijn, maar ook agressief en gewelddadig. Meestal
ontstaan in dit stadium de eerste initiatieven om het conflict op te
lossen; soms reeds in de tweede fase.
De vijf belangrijkste manieren om een conflict op te lossen zijn:
-
Competitie
In de gevallen waarbij de ene partij doelen wil bereiken ten
koste van de ander partij, is er sprake van een win-lose
strijd en is het formele gezag van de gezamenlijke superieur
vaak de dominante kracht die de partijen uitdaagt tot competitie. -
Samenwerking
Als het gedrag erop is gericht om duidelijkheid te creëren
en een voor iedereen positieve oplossing te bedenken, spreken we
van samenwerking.
-
Vermijding
Hiervan is sprake indien partijen op het conflict reageren
door zich terug te trekken of het conflict te onderdrukken. Dit
kan door zich fysiek af te scheiden van de andere partij. Indien
groepen met elkaar samenwerken, dan zal onderdrukking meer
voorkomen.
-
Aanpassing
Hiervan is sprake indien een van de partijen zich opoffert
om de relatie in stand te houden.
-
Compromissen
Bij compromissen geven beide partijen iets op ten behoeve
van de andere partij.
Fase 4. Uitkomsten
In de vierde fase worden, door de wisselwerking
tussen openlijk conflictgedrag en gedrag om conflicten aan te pakken,
de gevolgen van het conflict zichtbaar.
- Functionele uitkomsten
Openlijke agressie of geweld leiden zelden tot
iets positiefs. Toch zijn er aanwijzingen dat minder zware
conflicten eerder duiden op kracht dan op zwakheid, in tegenstelling
tot de gangbare opvatting. Conflicten kunnen de kwaliteit van
besluiten verbeteren doordat alle punten - vooral ongebruikelijke -
worden meegenomen bij belangrijke beslissingen. Conflicten kunnen de
belangstelling en nieuwsgierigheid onder groepsleden aanwakkeren,
creativiteit en innoverend vermogen aanboren. Bovendien kunnen
conflicten een uitlaatklep voor spanningen bieden, problemen boven
tafel brengen en een sfeer van zelfkritiek en verbetering scheppen.
Groepen bestaande uit mensen met verschillende belangen leveren
kwalitatief betere oplossingen voor allerlei problemen aan dan
homogene groepen.
-
Disfunctionele uitkomsten
De destructieve gevolgen van een conflict zijn
meestal duidelijk zichtbaar in de prestaties van de groepen of de
organisatie: onbeheerste tegenstand leidt tot ontevredenheid, wat
slecht is voor de gemeenschappelijke banden en op den duur voor de
hele groep.
Naarmate de besluitvorming van de groep
creatiever is of minder geprogrammeerd is, neemt de kans op
constructieve uitkomsten van interne conflicten toe.
Up Onderhandelen
Bij onderhandelingen denkt men al snel aan cao-onderhandelingen
over arbeidsvoorwaarden. Er is sprake van onderhandelen als twee
partijen goederen of diensten uitwisselen waarvoor ze een
wisselkoers moeten overeenkomen.
Onderhandelingen zijn een integraal onderdeel van groepen in
organisaties.
Er zijn twee manieren om te onderhandelen:
- distributief onderhandelen en
- integratief onderhandelen.
De verschillen tussen distributief en integratief
onderhandelen
|
Kenmerk onderhandeling
|
Distributief onderhandelen
|
Integratief onderhandelen
|
|
Te verdelen middelen
|
Staat vast
|
Variabel
|
|
Primaire motivatie
|
Ik win, jij verliest
|
Ik win, jij wint
|
Tijdens distributief onderhandelen is de tactiek erop gericht de
ander te laten instemmen met een concreet streefpunt of dat zo dicht
mogelijk te benaderen. Ook hebben beide partijen een punt van
weerstand: het laagste punt waartoe ze bereid zijn. Binnen dit
streefpunt en het weerstandspunt bevindt zich het gebied waar
akkoord te bereiken is.
Bij integratief handelen gaat men ervan uit dat er meer
mogelijkheden zijn om tot een win-win oplossing te komen.
Onder gelijke omstandigheden is integratief onderhandelen beter
omdat het de samenwerking in de toekomst mogelijk maakt. Er groeit
een band tussen de onderhandelaars en beiden verlaten de
onderhandelingstafel met het gevoel gewonnen te hebben. Bij
distributief onderhandelen is één partij de winnaar. Deze situatie
kan vijandigheden scheppen en de kloof tussen de samenwerkenden
wordt breder.
Om integratief te kunnen onderhandelen moeten er wel een aantal
voorwaarden zijn die dit mogelijk maken:
- beide partijen moeten informatie verstrekken
- beide partijen moeten eerlijk hun zorgen naar voren brengen
- beide partijen moeten oog hebben voor de behoeften van de
ander
- beide partijen moeten elkaar kunnen vertrouwen
- beide partijen moeten bereid zijn tot een flexibele
instelling
Aangezien veel organisatieculturen en relaties tussen
organisaties niet gekenmerkt worden door openheid, vertrouwen en
flexibiliteit, is het nauwelijks verrassend dat onderhandelingen
vaak een sfeer ademen van winnen tegen elke prijs.
Up Problemen bij onderhandelen
Een drietal actuele problemen bij onderhandelingen zijn: blinde
vlekken in de onderhandelingen, de rol van de persoonlijkheid en het
effect van cultuurverschillen op onderhandelingsstijlen.
- Blinde vlekken
Dit zijn omstandigheden die effectieve onderhandelingen in
de weg staan. Men is als het ware blind is voor
nieuwe mogelijkheden. Vooroordelen kunnen de bron zijn van
blinde vlekken. Een aantal voorbeelden zijn:
- Irrationele escalatie van
betrokkenheid
Men blijft vast houden aan een bepaalde handelswijze.
- De mythe van de taartpunten
De veronderstelling dat de winst ten koste moet gaan van
het verlies van de ander.
- Het anker uitgooien
Een oordeel bepalen op grond van irrelevante informatie,
bijvoorbeeld een aanvangsbod.
- De presentatie van onderhandelingen
Standpunten positief presenteren voor de andere partij.
- De beschikbaarheid van informatie
Het onderscheid kunnen maken tussen emotioneel bekende
en betrouwbare of relevante informatie.
- De nederlaag van de winnaar
Iets bereikt hebben en toch het gevoel hebben verloren
te hebben.
- Te veel zelfvertrouwen
Geneigd zijn informatie te negeren omdat die niet
stroken met de eigen ideeën en verwachtingen. (Mogelijke
oplossingen: suggesties van betrouwbare adviseurs opvolgen
of onpartijdige buienstaanders vragen om een objectief
oordeel over de onderhandelingspositie)
- De rol van de persoonlijkheid bij onderhandelingen
Persoonlijkheidskenmerken hebben geen
significante directe invloed op het onderhandelingsproces en de
resultaten daarvan. Men kan zich beter richten op de dingen waarover
onderhandeld moet worden en op situationele factoren tijdens elke
onderhandelingsronde.
-
Cultuurverschillen bij onderhandelingen
In tegenstelling tot persoonlijkheidskenmerken,
heeft de landscultuur van de onderhandelingspartijen wel invloed op
de onderhandelingen. Goede onderhandelaars passen de mate waarin zij
zich voorbereiden aan: moet de nadruk liggen op taak of relatie,
welke onderhandelingstactieken pas ik toe en welke locatie kies ik.
Up Tips om de onderhandelingsvaardigheden te verbeteren
- Verdiep u in uw tegenpartij. Formuleer
oplossingen in termen van zijn belangen.
- Begin met een positieve opening.
- Concentreer u op dat waarover u onderhandelt.
- Besteed niet te veel aandacht aan een
openingsbod.
- Benadruk win-win oplossingen, als de
situatie zich daarvoor leent.
- Schep een open sfeer van vertrouwen door
goed te luisteren, vragen te stellen, gerichte argumenten aan te
voeren en geen woorden of uitdrukkingen te gebruiken die de
ander irriteren.
Up Veranderingen
Veranderingsfactoren
In een dynamische en veranderlijke omgeving moeten organisaties
zich voortdurend aanpassen. Belangrijke factoren, die tot
veranderingen aanzetten, zijn:
- Veranderingen in het karakter van
het personeelsbestand (pluriformiteit)
Vrijwel elke organisatie moet zich aanpassen aan
een multiculturele omgeving. En steeds meer vrouwen gaan
deelnemen aan het arbeidsproces. Dit vergt een aanpassing van
het personeelsbeleid om zodoende dit nieuwe personeel te
kunnen werven en behouden.
Daarnaast moeten veel bedrijven veel investeren in vaardigheden
van werknemers om deze bij te spijkeren op het gebied van lezen,
rekenen, computerkennis etc.
- Technologische ontwikkelingen
Door ontwikkelingen in de technologie verandert
ook de organisatiestructuur. Organisaties kunnen sneller
reageren en directe supervisie maakt plaats voor computers.
Doordat veel taken wegvallen, hebben managers een grotere
span of control (bereik) en ontstaan plattere organisaties.
Veel functies veranderen doordat mensen die beperkte,
gespecialiseerde en routinematige taken uitvoeren, worden
vervangen door werkteams waarvan de leden meerdere taken
beheersen en actief deelnemen aan teambeslissingen.
- Economische crises
De huidige economie wordt gekenmerkt door
discontinuïteit. Vanaf begin jaren zeventig van de vorige
eeuw zijn bedrijven - door economische crises (torenhoge
olieprijzen, financiële situatie Aziatische landen zoals Japan
en Zuid-Korea) - gedwongen voortdurend te veranderen.
- Wereldwijde concurrentie
In de moderne mondiale economie ligt overal in
de wereld de concurrentie op de loer. Dit heeft een
dubbel effect: bedrijven moeten continue nieuwe producten en
diensten ontwikkelen om hun traditionele concurrenten voor te
blijven én ze moeten kunnen concurreren tegen kleine en vaak
zeer flexibele nieuwe ondernemingen.
Bedrijven moeten snel kunnen reageren door korte productieruns,
korte productcycli en een voortdurende stroom nieuwe producten.
Dit heeft een enorme impact op de flexibiliteit van de
bedrijven, dus ook op die van de medewerkers.
- Maatschappelijke trends
Sinds de jaren tachtig en negentig van de vorige
eeuw is er een duidelijke trend te zien op het gebied van
huwelijk en echtscheiding. Het aantal eenpersoonshuishoudens
neemt toe en dit heeft gevolgen voor bijv. de woningbranche en
de voedingsmiddelenindustrie.
- Wereldpolitiek
Organisatiegedrag moet ook in een mondiale
context worden geplaatst. De val van de Berlijnse muur en de
hereniging van Duitsland, het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en
de spanningen en oorlogen in het Midden-Oosten, hebben enorme
consequenties voor de wereldeconomie. Grote bedrijven kopen
andere bedrijven op om daarmee krachten te kunnen bundelen en de
efficiëncy te vergroten.
Geplande veranderingen
Sommige veranderingen gebeuren gewoon. Wanneer gesproken wordt
van proactieve, doelgerichte veranderingen, zijn dat geplande
veranderingen. Deze dienen twee doelen:
- Aanpassen van de organisatie
Genoodzaakt door de hierboven genoemde
omgevingsfactoren moeten organisaties reageren om te kunnen
overleven. Voorbeelden van geplande veranderingen zijn: de
introductie van werkteams, het decentraliseren van
besluitvorming en het vernieuwen van organisatieculturen.
-
Aanpassen van het gedrag van de mensen en
groepen binnen de organisatie
Het succes of falen van een organisatie wordt in
belangrijke mate bepaald door het doen en laten van de
werknemers. Daarom richt geplande verandering zich met name op
het personeel. Mensen moeten ander gedrag vertonen in het leren
omgaan met de nieuwe taken en in hun interactie met anderen.
Veranderingsactiviteiten begeleiden
Voor belangrijke veranderingen worden vaak externe consultants
ingeschakeld om advies te geven en te assisteren bij de
implementatie. Zij geven vaak een objectief perspectief, maar hebben
doorgaans onvoldoende inzicht in de geschiedenis, cultuur,
werkprocedures en personeel van de organisatie. Ze hebben ook nogal
eens de neiging om vrij radicale - gunstige of ongunstige -
veranderingen door te voeren,omdat ze de gevolgen niet aan den lijve
ondervinden. Interne specialisten of managers zijn vaak wat
bedachtzamer en voorzichtiger.
Veranderingsperspectieven
Er zijn twee typen veranderingsprocessen te
benoemen:
-
Het veranderingsproces volgens Kurt Lewin
Dit scenario past bij een betrekkelijk kalme
omgeving en is gebaseerd op het idee dat een geslaagde
verandering telkens drie fasen doorloopt: ontdooien, veranderen
en opnieuw bevriezen. De evenwichtstoestand wordt in
beweging gebracht door:
- de
aandrijfkrachten, die het veranderingsgedrag versterken
- de beperkende krachten, die verstoringen
van het evenwicht afzwakken
- beiden
Op zichzelf is verzet tegen verandering niet negatief omdat het
blijk geeft van enige stabiliteit en voorspelbaarheid van gedrag.
Het kan een gezonde discussie op gang brengen over de voors
en tegens en tot een betere besluitvorming leiden.
Verzet tegen verandering belemmert echter wel aanpassing en
vooruitgang.
Verzet is er in vele vormen: van openlijk tot impliciet en van
onmiddellijk tot vertraagd. Werknemers reageren bijvoorbeeld
openlijk met klachten, gaan over tot langzaam-aan-acties of dreigen
met stakingen. Impliciet verzet is vaak problematisch omdat het vaak
subtiel is en moeilijk waar te nemen. De loyaliteit van de
organisatie zakt in, de motivatie om te werken neemt af, er worden
meer fouten en vergissingen gemaakt of het ziekteverzuim neemt toe.
Bij vertraagd verzet lijkt het alsof een verandering weinig
weerstand oproept en dan blijkt na maanden of zelfs jaren het
tegenovergestelde.
Deze zijn gelegen in de persoonlijke kenmerken van een individu,
zijn karakter, perceptie en behoeften, zoals:
Ook organisaties zelf verzetten zich in het algemeen tegen
verandering. Overheidsinstanties die hun dienstverlening niet
aanpassen aan de behoefte, georganiseerde religies die hun
kerkdoctrines handhaven, opleidingsinstituten die verandering moeten
bevorderen en zich er zelf tegen verzetten, schoolsystemen die
dezelfde technologie gebruiken als vijftig jaar geleden. Ook
bedrijven lijken zich te verzetten tegen verandering. Welke bronnen
liggen hieraan ten grondslag?
Een aantal tactieken om het verzet tegen veranderingen in
organisaties te overwinnen zijn:
Organisatieontwikkeling is een verzameling veranderingstechnieken
of ingrepen met de bedoeling om de effectiviteit van de organisatie
en het welzijn van de werknemers te vergroten als reactie op
veranderingen in de externe omgeving.
Organisatieontwikkeling onderscheidt zich van andere traditionele
benaderingen door:
De populairste interventietechnieken en ingrepen om verandering
te bewerkstelligen zijn te verdelen in :